Veldcodes: het veld Index

Opmerking:  We willen u graag zo snel mogelijk de meest recente Help-inhoud in uw eigen taal bieden. Deze pagina is automatisch vertaald en kan grammaticale fouten of onnauwkeurigheden bevatten. Wij hopen dat deze inhoud nuttig voor u is. Kunt u ons onder aan deze pagina laten weten of de informatie nuttig voor u was? Hier is het Engelstalige artikel ter referentie.

Het veld Index samenstellen en een index invoegen door het verzamelen van indexvermeldingen die zijn opgegeven door XE (Index Entry)-velden. U kunt het veld Index invoegen door te klikken op Index invoegen in de groep Index op het tabblad verwijzingen .

Syntaxis

Wanneer u de Index-veldcode weergeeft in het document, ziet de syntaxis er als volgt uit:

{ INDEX [Schakelopties ] }

Opmerking: Met een veldcode wordt aangegeven wat in het veld moet worden weergegeven. Veldresultaten worden in het document weergegeven nadat de veldcode is geëvalueerd. Druk op Alt+F9 om te schakelen tussen het weergeven van de veldcode en de veldcoderesultaten.

Schakelopties

\b Bladwijzer

Hiermee stelt u een index samen voor het deel van het document dat met de opgegeven bladwijzer is gemarkeerd. Het veld { INDEX \b Selecteren } stelt een index samen voor het deel van het document dat met de bladwijzer 'Selecteren' is gemarkeerd.

\c Kolommen

Hiermee maakt u een index met meer dan een kolom op een pagina. Het veld { index \c 2 } maakt een index met twee kolommen. U kunt maximaal vier kolommen opgeven.

\d "Scheidingstekens"

Wanneer deze schakeloptie wordt gebruikt in combinatie met de schakeloptie \s, worden de tekens (maximaal vijf) opgegeven die de reeksnummers en paginanummers scheiden. Het veld { INDEX \s hoofdstuk \d ":" } geeft paginanummers weer in de notatie "2:14". Er wordt een afbreekstreepje (-) gebruikt als u de schakeloptie \d niet opgeeft. Zet de tekens tussen aanhalingstekens.

\e "Scheidingstekens"

Hiermee geeft u de tekens (maximaal vijf) op die de indexvermelding van het paginanummer scheiden. Het veld { INDEX \e "; " } geeft een resultaat zoals "Tekst invoegen; 3" in de index weer. Er worden een komma en een spatie (, ) gebruikt als u de schakeloptie \e weglaat. Zet de tekens tussen aanhalingstekens.

\f "Id"

Hiermee maakt u alleen voor het opgegeven vermeldingstype een index. De index die gegenereerd wordt door { INDEX \f "a" }, bevat alleen vermeldingen die gemarkeerd zijn met XE-velden zoals { XE "Tekst selecteren" \f "a" }. Het standaardvermeldingstype is 'I'.

\g "Scheidingstekens"

Hiermee worden de tekens opgegeven (maximaal vijf) waarmee een reeks pagina's wordt gescheiden. Zet de tekens tussen aanhalingstekens. Standaard wordt een en-streepje (–) gebruikt. Het veld { INDEX \g " tot en met " } geeft paginabereiken weer als 'Tekst zoeken, 3 tot en met 4.

\h "'Kop"

Hiermee voegt u tekst in die is opgemaakt met de indexkopstijl tussen alfabetische groepen in de index. Zet de tekst tussen aanhalingstekens. Het veld { INDEX \h "—A—" } geeft de juiste letter weer vóór elke alfabetische groep in de index. Als u een lege regel tussen de groepen wilt invoegen, gebruikt u lege aanhalingstekens: \h "".

\k "Scheidingstekens"

Hiermee geeft u de tekens op die een indexvermelding van de kruisverwijzing scheiden. Met het veld { INDEX \k ": " } wordt een resultaat zoals "Tekst invoegen: zie Bewerken" weergegeven in de index. Er worden een punt en een spatie (. ) gebruikt als u de schakeloptie \k weglaat. Plaats de tekens tussen aanhalingstekens.

\l "Scheidingstekens"

Hiermee geeft u de tekens op om meerdere paginaverwijzingen te scheiden. De standaardtekens zijn een komma en een spatie (, ). U kunt maximaal vijf tekens gebruiken, die u tussen aanhalingstekens moet zetten. Het veld { INDEX \l " of " } geeft vermeldingen zoals "Tekst invoegen, 23 of 45 of 66" in de index weer.

\p "Bereik"

Een index voor de opgegeven letters gecompileerd. Het veld { INDEX \p a-m } maakt u een index voor de letters A tot en met M. Als u wilt opnemen die met tekens dan letters beginnen, gebruikt u een uitroepteken (!). De index gegenereerd door { INDEX \p!--t } bevat speciale tekens bevat, evenals de letters een tot en met T.

\r

Hiermee lopen subvermeldingen op dezelfde regels als de hoofdvermelding. Hoofdvermeldingen worden met dubbele punten (:) gescheiden van subvermeldingen. Subvermeldingen worden gescheiden met puntkomma's (;). Het veld { INDEX \r } geeft vermeldingen zoals "Tekst: invoegen 5, 9; selecteren 2; verwijderen 15" weer.

\s

Wanneer gevolgd door de naam van een reeks, bevat het volgnummer met het paginanummer. Gebruik de schakeloptie \d om op te geven van een scheidingsteken voor locatie dan de standaardlocatie, dat wil zeggen een afbreekstreepje (-).

\y

Hiermee activeert u het gebruik van yomi-tekst voor tekstvermeldingen.

\z

Hiermee definieert u de taal-id die om Microsoft Word wordt gebruikt om de index te genereren.

Voorbeeld

Met het veld { INDEX \s hoofdstuk \d "." } wordt een index samengesteld voor een hoofddocument. Elk subdocument is een hoofdstuk. De hoofdstuktitels bevatten een SEQ-veld waarmee de hoofdstukken worden genummerd. Met de schakeloptie \d worden het hoofdstuknummer en het paginanummer door een punt (.) gescheiden. Een index die met dit veld wordt gegenereerd, ziet er ongeveer als volgt ui:

Aristoteles, 1.2
Aarde, 2.6
Jupiter, 2.7
Mars, 2.6

Uw Office-vaardigheden uitbreiden
Training verkennen
Als eerste nieuwe functies krijgen
Deelnemen aan Office Insiders

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback.

Hartelijk dank voor uw feedback! Het lijkt ons een goed idee om u in contact te brengen met een van onze Office-ondersteuningsagenten.

×