Veldcodes: het veld = (Formula)

Opmerking:  We willen u graag zo snel mogelijk de meest recente Help-inhoud in uw eigen taal bieden. Deze pagina is automatisch vertaald en kan grammaticale fouten of onnauwkeurigheden bevatten. Wij hopen dat deze inhoud nuttig voor u is. Kunt u ons onder aan deze pagina laten weten of de informatie nuttig voor u was? Hier is het Engelstalige artikel ter referentie.

De = (Formula)-veldcode berekent een getal met een wiskundige formule.

U kunt de formule -opdracht op het tabblad indeling , die wordt weergegeven wanneer u in een tabel, naar dit veld bijvoorbeeld toevoegen aan een document klikt. U kunt dit ook toevoegen met behulp van het dialoogvenster veld .

Om het dialoogvenster Veld op Windows te openen, kies het tabblad Invoegen en klik vervolgens in de groep Tekst op Snelonderdelen en daarna op Veld. Kies op Mac het tabblad Invoegen en vervolgens Veld. (Als er geen Veld wordt weergegeven, moet u eerst Tekst kiezen.)

Met een veldcode kan in Word worden aangegeven wat er moet worden ingevoegd of opgegeven na het bepalen van de waarde van de veldcode, zoals de huidige datum of het aantal pagina’s. De resulterende waarde wordt gewoonlijk simpelweg weergegeven als onderdeel van het document. U kunt schakelen tussen het weergeven van het resultaat of het weergeven van de veldcode door op Windows-apparaten op Alt + F9 te drukken of op Mac fn + Option + F9 te gebruiken.

Tip: Als er een spreadsheettoepassing, zoals Excel, is geheel of gedeeltelijk van een werkblad insluiten in een document het meestal gemakkelijker dan het veld = (Formula).

Syntaxis

Wanneer u = (Formula)-veldcode in het document weergeeft, ziet de syntaxis er zo uit:

{ = formule [bladwijzer ] [\#numerieke notatie ] }

Instructies

Een formule is een expressie die kan bestaan uit een willekeurige combinatie van getallen, bladwijzers die naar getallen verwijzen, velden die resulteren in getallen en de beschikbare operatoren en functies. De expressie kan verwijzen naar waarden in een tabel en naar waarden die door functies worden geretourneerd.

Meer informatie over:

Operatoren

In het veld = (Formula) kunt u een willekeurige combinatie van waarden en de volgende rekenkundige en relationele operatoren opnemen:

+

Optellen

Aftrekken

*

Vermenigvuldigen

/

Delen

%

Percentage

^

Machtsverheffen en worteltrekken

=

Gelijk aan

<

Kleiner dan

< =

Kleiner dan of gelijk aan

>

Groter dan

> =

Groter dan of gelijk aan

< >

Niet gelijk aan

Functies

In het veld = (Formula) kunnen waarden worden gebruikt die door de volgende functies worden geretourneerd. In functies met lege haakjes kunnen een of meer argumenten worden gebruikt. Deze moeten worden gescheiden door komma's (,) of puntkomma's (;), die als lijstscheidingsteken zijn ingesteld in de landinstellingen in het Configuratiescherm van Microsoft Windows. Argumenten kunnen getallen, formules of bladwijzers zijn. In de functies AVERAGE(), COUNT(), MAX(), MIN(), PRODUCT() en SUM() kunnen ook verwijzingen naar tabelcellen als argumenten worden opgegeven.

ABS(x)

Berekent de positieve waarde van een getal of formule, ongeacht of de werkelijke waarde positief of negatief is.

AND(x,y)

Retourneert de waarde 1 als de logische expressies x en y beide waar zijn of 0 (nul) als een van de expressies onwaar is.

AVERAGE( )

Berekent het gemiddelde van een lijst met waarden.

COUNT( )

Retourneert het aantal onderdelen in een lijst.

DEFINED(x)

Retourneert de waarde 1 (waar) als de expressie x geldig is of 0 (onwaar) als de expressie niet kan worden verwerkt.

FALSE

Retourneert de waarde 0 (nul).

INT(x)

Retourneert de cijfers die links van het decimale teken staan in de waarde of formule x.

MIN( )

Retourneert de kleinste waarde in een lijst.

MAX( )

Retourneert de grootste waarde in een lijst.

MOD(x,y)

Retourneert het resultaat van de deling van de waarde x door de waarde y, een geheel aantal keren herhaald.

NOT(x)

Retourneert de waarde 0 (nul, onwaar) als de logische expressie x waar is of 1 (waar) als de expressie onwaar is.

OR(x,y)

Retourneert de waarde 1 (waar) als een of beide logische expressies x en y waar zijn of 0 (nul, onwaar) als beide expressies onwaar zijn.

PRODUCT( )

Retourneert het resultaat van de vermenigvuldiging van een lijst met waarden. Bijvoorbeeld: de functie { = PRODUCT (1,3,7,9) } retourneert de waarde 189.

ROUND(x,y)

Retourneert de waarde x afgerond naar het opgegeven aantal decimalen y; x kan een getal zijn of het resultaat van een formule.

SIGN(x)

Retourneert de waarde 1 als x een positieve waarde is of –1 als x een negatieve waarde is.

SUM( )

Retourneert de som van een lijst met waarden of formules.

TRUE

Retourneert de waarde 1.

Tabelverwijzingen

Als u berekeningen in een tabel uitvoert, moet u de tabel-cellen een verwijzing geven, zoals A1, A2, B1, B2, enz. Hierbij staat de letter voor een bepaalde kolom en het cijfer voor een bepaalde rij. Celverwijzingen in Microsoft Word zijn altijd absolute celverwijzingen en worden niet weergegeven met dollartekens, in tegenstelling tot celverwijzingen in Microsoft Excel. Als u bijvoorbeeld in Word met A1 naar een cel verwijst, is dit hetzelfde als wanneer u in Excel met $A$1 naar een cel verwijst.

Tabel met celverwijzingen

Verwijzingen naar individuele cellen

Als u in formules naar cellen wilt verwijzen, plaatst u een komma tussen verwijzingen naar afzonderlijke cellen en een dubbele punt tussen de eerste en de laatste cel in een reeks, zoals in de volgende voorbeelden.

Bereken het gemiddelde van deze cellen:

Tabel met geselecteerd celbereik

=average(b:b) of =average(b1:b3)

Tabel met geselecteerd celbereik

=average(a1:b2)

Tabel met geselecteerd celbereik

=average(a1:c2) of =average(1:1,2:2)

Tabel met geselecteerd celbereik

=average(a1,a3,c2)

Verwijzingen naar een hele rij of kolom

Op de volgende manieren kunt u een hele rij of kolom in een berekening betrekken:

  • Een bereik gebruiken waarin alleen de letter of het cijfer staat van de rij of kolom waarnaar wordt verwezen. U gebruikt bijvoorbeeld 1:1 als u wilt verwijzen naar de eerste rij in de tabel. Bij de berekening worden alle cellen in de rij opgenomen. Als u later cellen toevoegt in de rij, worden deze ook automatisch bij de berekening opgenomen.

  • Een bereik gebruiken waarin wordt verwezen naar specifieke cellen. U gebruikt bijvoorbeeld a1:a3 als u wilt verwijzen naar een kolom met drie rijen. Bij de berekening worden alleen deze bepaalde cellen opgenomen. Als u later cellen toevoegt die u in de berekening wilt opnemen, moet u de verwijzing of de berekening handmatig bewerken.

Verwijzingen naar cellen in een andere tabel

Als u wilt verwijzen naar cellen in een andere tabel of buiten een tabel naar een tabelcel wilt verwijzen, duidt u de tabel aan met een bladwijzer. Met het veld { =average(Tabel2 b:b) } bijvoorbeeld, wordt het gemiddelde van kolom B in de tabel met bladwijzer Tabel2 berekend.

Bladwijzer

De naam van een bladwijzer die naar een of meer waarden verwijst.

\# Numerieke notatie

Hiermee stelt u de weergave van een numeriek resultaat in. Bij deze schakeloptie gebruikt u symbolen om de gewenste opmaak voor het veldresultaat aan te geven.

Zo geeft bijvoorbeeld de schakeloptie \# € #.##0,00 in { = SUM(ABOVE) \# € #.##0,00 } het resultaat "€ 4.455,70." Als het veldresultaat geen getal is, heeft de schakeloptie geen effect.

Opmerking: Aanhalingstekens worden niet telkens Eenvoudige getalnotaties die geen spaties bevatten, bijvoorbeeld: { geplaatst \ # $#, ## 0.00 }. Voor meer complexe numerieke afbeeldingen als de bestanden die tekst of spaties, plaats u de schakeloptie tussen aanhalingstekens, zoals wordt weergegeven in de volgende voorbeelden van de afbeelding-item. Word voegt aanhalingstekens toe aan de schakeloptie schakelopties, als u een veld invoegen met behulp van de opdracht veld op het tabblad Invoegen of de opdracht formule in het menu indeling (die wordt weergegeven wanneer u in een tabel klikt).

Door de volgende getalnotaties te combineren, kunt u een schakeloptie voor getalnotatie instellen.

Getalnotaties

0 (nul)

Hiermee geeft u de vereiste numerieke posities in de weergave van het resultaat aan. Als het resultaat op een of meer van de opgegeven posities geen cijfer bevat, wordt daar een 0 (nul) weergegeven. Bijvoorbeeld: { = 4 + 5 \# 00,00 } geeft als resultaat "09,00".

#

Hiermee geeft u de vereiste numerieke posities in de weergave van het resultaat aan. Als het resultaat op een of meer van de opgegeven posities geen cijfer bevat, wordt daar een spatie weergegeven. Bijvoorbeeld:{ = 9 + 6 \# € ### } geeft als resultaat '"€ 15'.

Knop AutoSom

Hiermee komen de cijfers links van de tijdelijke aanduiding 'x' te vervallen. Als de tijdelijke aanduiding rechts van het decimaalteken staat, wordt het resultaat op die positie afgerond. Bijvoorbeeld:
{ = 111053 + 111439 \# x## } geeft als resultaat "492".
{ = 1/8 \# 0,00x } geeft als resultaat "0,125".
{ = 3/4 \# ,x } geeft als resultaat ",8".

, (decimaalteken)

Hiermee bepaalt u de positie van het decimaalteken. Bijvoorbeeld: { = SUM(ABOVE) \# € ###,00 } geeft als resultaat "€ 495,47".

Opmerking: Gebruik het decimaalteken dat is opgegeven als onderdeel van de landinstellingen in het Configuratiescherm op Windows.

. (scheidingsteken voor duizendtallen)

Hiermee deelt u een getal op in reeksen van drie cijfers, bijvoorbeeld:{ = NettoWinst \# € #.###.### } geeft als resultaat "€ 2.456.800".

Opmerking: Gebruik het scheidingsteken voor duizendtallen dat is opgegeven in de landinstellingen in het Configuratiescherm op Windows.

- (minteken)

Hiermee voegt u een minteken toe aan een negatief resultaat of een spatie als het resultaat positief of 0 (nul) is. Bijvoorbeeld: { = 10 - 90 \# -## } geeft als resultaat '-80'.

+ (plusteken)

Hiermee voegt u een plusteken toe aan een positief resultaat, een minteken aan een negatief resultaat of een spatie als het resultaat 0 (nul) is. Bijvoorbeeld: { = 100 - 90 \# +## } geeft als resultaat '+10' en { = 90 - 100 \# +## } geeft als resultaat '-10'.

%, *, enzovoort

Hiermee neemt u een teken op in het resultaat. Bijvoorbeeld: { = nettowinst \# "##%" } geeft als resultaat '33%'.

"positief; negatief"

Hiermee stelt u verschillende getalnotaties in voor positieve en negatieve resultaten. Als de bladwijzer Verkoop95 bijvoorbeeld een positieve waarde heeft, geeft het veld { Verkoop95 \# "€ #.##0,00;-€ #.##0,00" } deze waarde weer zonder speciale opmaak, bijvoorbeeld: "€ 1.245,65". Een negatieve waarde wordt vet en met een minteken weergegeven, bijvoorbeeld: "-€  345,56".

"positief; negatief; nul"

Hiermee stelt u verschillende getalnotaties in voor een positief resultaat, een negatief resultaat en het resultaat 0 (nul). Bijvoorbeeld: afhankelijk van de waarde van de bladwijzer Verkoop95 worden positieve en negatieve waarden en de waarde 0 (nul) in het veld { Verkoop95 \# "€ #,##0.00;(€ #,##0.00);€ 0" } als volgt weergegeven: € 1.245,65, (€ 345,56), € 0

'tekst'

Hiermee voegt u tekst toe aan het resultaat. Plaats deze tekst tussen enkele aanhalingstekens. Bijvoorbeeld: { = { Prijs } *6% \# "€ ##0.00 'is BTW' " } geeft als resultaat '€ 347,44 is BTW'.

`genummerditem`

Geeft het getal van het vorige item dat u hebt genummerd met behulp van de opdracht Bijschrift invoegen of door in te voegen een SEQ-veld.

Plaats de naam van de item, zoals "tabel" of "afbeelding," aanhalingstekens ('). Het volgnummer wordt weergegeven in de Arabische cijfers. Bijvoorbeeld: { = SUM(A1:D4) \ # "## 0.00 'is het totaal van tabel' ' tabel'" } resulteert in "456.34 is het totaal van de tabel 2".

Als u wilt een bijschrift toevoegen aan een object, klikt u op Windows, met de rechtermuisknop op het object of op de Mac, Control + klik op het object, kiest u vervolgens Bijschrift invoegen.

Voorbeelden

Voorbeeld 1

Het volgende veld wordt afgetrokken van een waarde die wordt voorgesteld door het bladwijzerbrutoverkoop. De schakeloptie geeft de resultaten met een valutasymbool, bijvoorbeeld $14,786.17:

{ = Brutoverkoop-29.897,62 \# "$#,##0.00" }

Voorbeeld 2

Het volgende = (Formula)-veld berekent het totale aantal pagina's in een document waarvan de paginanummering begint met 47. een resultaat zoals 'Pagina 51 van 92' wordt weergegeven:

Pagina { PAGE } van { = (47 - 1) + { NUMPAGES } }

Voorbeeld 3

De volgende voorbeelden verwijzen naar waarden in een tabel. De celverwijzingen in de voorbeelden verwijzen naar cellen in de tabel waarin het veld = (Formula) voorkomt. Als het veld niet in de verwezen tabel voorkomt, markeert u de tabel met een bladwijzer en geeft u de bladwijzer op, gevolgd door de celverwijzingen.

{ = SUM(ABOVE) } (ingevoegd in een tabelcel)

De som van cellen, vanaf de cel boven het veld tot de bovenzijde van de kolom of tot de eerste lege cel of ongeldige waarde.

{ = SUM(Tabel3 C3) }

De inhoud van de cel in de derde kolom van de derde rij van de tabel die gemarkeerd is met de bladwijzer 'Tabel3'.

{ = MIN(Tabel3 A3:D3) }

Kleinste waarde in de eerste vier cellen in de derde rij van de tabel die gemarkeerd is met de bladwijzer 'Tabel3'.

Uw Office-vaardigheden uitbreiden
Training verkennen
Als eerste nieuwe functies krijgen
Deelnemen aan Office Insiders

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback.

Hartelijk dank voor uw feedback! Het lijkt ons een goed idee om u in contact te brengen met een van onze Office-ondersteuningsagenten.

×