Query's uitvoeren

Een query is een set instructies die u kunt gebruiken voor het werken met gegevens. Met een query voert u de set instructies uit. Met een query kunt u behalve gegevens ophalen, die vervolgens kunnen worden gesorteerd, gegroepeerd of gefilterd, ook gegevens maken, kopiëren, verwijderen of wijzigen.

Dit artikel bevat uitleg over de wijze waarop u query's kunt uitvoeren. De verschillende typen query's komen hierbij slechts kort aan bod. Verder vindt u hier een beschrijving van de foutberichten die mogelijk worden weergegeven bij het uitvoeren van de verschillende typen query's en tot slot worden de stappen uitgelegd die u kunt nemen om deze fouten te omzeilen of te corrigeren.

Dit artikel bevat geen stapsgewijze instructies voor het maken van query's.

Wat wilt u doen?

Een selectie- of kruistabelquery uitvoeren

Een actiequery uitvoeren

Een parameterquery uitvoeren

Een SQL-query uitvoeren

Fouten in foutberichten oplossen

Een selectie- of kruistabelquery uitvoeren

selectiequery en kruistabelquery worden gebruikt voor het ophalen en presenteren van gegevens en voor het leveren van gegevens aan formulieren en rapporten. Wanneer u een selectie- of kruistabelquery uitvoert, worden de resultaten in Microsoft Office Access 2007 weergegeven in de gegevensbladweergave.

De query uitvoeren

  1. Zoek de query in het navigatiedeelvenster.

  2. Voer een van de volgende stappen uit:

    • Dubbelklik op de query die u wilt uitvoeren.

    • Klik op de query die u wilt uitvoeren en druk op ENTER.

Indien de query die u wilt uitvoeren op dat moment geopend is in de ontwerpweergave, kunt u deze query ook uitvoeren door in het lint, dat deel uitmaakt van de Microsoft Office Fluent-gebruikersinterface, naar het tabblad Ontwerpen te gaan en te klikken op Uitvoeren in de groep Resultaten.

Naar boven

Een actiequery uitvoeren

Er zijn vier typen actiequery's: toevoegquery, verwijderquery, bijwerkquery en tabelmaakquery. Met uitzondering van de tabelmaakquery's (waarmee u nieuwe tabellen kunt maken), voeren actiequery's wijzigingen uit op de gegevens in de tabellen waarop ze zijn gebaseerd. Deze wijzigingen kunnen niet op eenvoudige wijze weer ongedaan worden gemaakt, bijvoorbeeld door het indrukken van CTRL+Z. Als u wijzigingen hebt uitgevoerd met behulp van een actiequery en later ontdekt dat u deze wijzigingen niet had moeten uitvoeren, kunt u in de meeste gevallen de gegevens alleen maar terugzetten vanuit een back-up. Om die reden is het raadzaam altijd een nieuwe back-up te maken van de onderliggende gegevens voordat u een actiequery uitvoert.

U kunt het risico dat het uitvoeren van een actiequery met zich meebrengt kleiner maken door eerst een voorbeeld te bekijken van de gegevens die u gaat wijzigen. U kunt dit op twee manieren doen:

  • Bekijk de actiequery in de gegevensbladweergave voordat u de query uitvoert. Open hiervoor de query in de ontwerpweergave, klik op Beeld op de statusbalk van Access en klik vervolgens op Gegevensbladweergave in het snelmenu. Als u wilt terugkeren naar de ontwerpweergave, klikt u nog een keer op Beeld en vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  • Verander de actiequery in een selectiequery en voer de selectiequery uit.

    Opmerking: Onthoud het type actiequery waarmee u begint (toevoeg-, bijwerk-, tabelmaak- of verwijderquery), zodat u de selectiequery weer kunt terugzetten nadat u op deze manier een voorbeeld van de gegevens hebt bekeken.

    Een actiequery als selectiequery uitvoeren

    1. Open de actiequery in de ontwerpweergave.

    2. Klik op het tabblad Ontwerpen, in de groep Type query op Selectiequery.

    3. Klik op het tabblad Ontwerpen, in de groep Resultaten, op Uitvoeren.

De query uitvoeren

Dubbelklik op de query in het navigatiedeelvenster, of klik op de query en druk op ENTER.

Naar boven

Een parameterquery uitvoeren

Als u een parameterquery uitvoert, wordt u gevraagd een waarde op te geven. De opgegeven waarde wordt door de parameterquery als veldcriterium gebruikt. In het queryontwerp is opgegeven op welk veld het criterium wordt toegepast. Als u geen waarde opgeeft wanneer daarom wordt gevraagd, wordt uw invoer door de parameterquery geïnterpreteerd als een lege tekenreeks.

Een parameterquery is altijd een onderdeel van een ander type query. De meeste parameterquery's zijn selectiequery's of kruistabelquery's, maar toevoegquery's en bijwerkquery's kunnen ook parameterquery's zijn.

Een parameterquery wordt uitgevoerd in overeenstemming met het andere querytype, maar over het algemeen kunt u de volgende procedure aanhouden.

De query uitvoeren

  1. Zoek de query in het navigatiedeelvenster.

  2. Voer een van de volgende stappen uit:

    • Dubbelklik op de query die u wilt uitvoeren.

    • Klik op de query die u wilt uitvoeren en druk op ENTER.

  3. Voer wanneer de parameteraanwijzing verschijnt een waarde in die als criterium moet worden gebruikt.

Naar boven

Een SQL-query uitvoeren

Er zijn drie hoofdtypen SQL-query: samenvoegquery, Pass Through-query en definitiequery.

Met een samenvoegquery combineert u gegevens uit twee of meer tabellen, maar niet op dezelfde manier als met andere query's. Waar u met de meeste query's gegevens samenvoegt door het aaneenschakelen van rijen, worden met samenvoegquery's de gegevens gecombineerd door het toevoegen van rijen. Samenvoegquery's verschillen van toevoegquery's omdat u met samenvoegquery's de onderliggende tabellen niet wijzigt. Samenvoegquery's voegen rijen toe aan een recordset die na het sluiten van de query niet blijft bestaan.

Pass Through-query's worden niet verwerkt door de database-engine van Access, maar direct doorgestuurd naar een externe databaseserver die de verwerking uitvoert en de resultaten vervolgens terugstuurt naar Access.

Een definitiequery is een speciaal type query waarmee geen gegevens worden verwerkt. Definitiequery's worden gebruikt voor het maken, verwijderen of wijzigen van andere databaseobjecten.

SQL-query's kunnen niet worden geopend in de ontwerpweergave. Dit soort query's kan alleen worden geopend in de SQL-weergave, of worden uitgevoerd. Met uitzondering van definitiequery's, wordt een SQL-query bij uitvoering geopend in de gegevensbladweergave.

De query uitvoeren

  1. Zoek de query in het navigatiedeelvenster.

  2. Voer een van de volgende stappen uit:

    • Dubbelklik op de query die u wilt uitvoeren.

    • Klik op de query die u wilt uitvoeren en druk op ENTER.

Naar boven

Fouten in foutberichten oplossen

De volgende tabel bevat enkele veelvoorkomende foutberichten. Een fout kan als foutbericht, of als bericht in een cel worden weergegeven (in plaats van een verwachte waarde). In de gedeelten onder de lijst staan procedures die u kunt gebruiken om deze fouten op te lossen.

Opmerking: De inhoud van deze tabel is niet allesomvattend. Als uw foutbericht niet in deze tabel staat, kunt u feedback insturen met behulp van het formulier aan het einde van dit artikel. Specifieke informatie over het foutbericht kunt u in het vak voor opmerkingen typen.

Foutbericht

Probleem

Oplossing

Typen in expressie komen niet overeen

De query bevat joins tussen velden met verschillende gegevenstypen.

Controleer het queryontwerp en let erop dat de gekoppelde velden hetzelfde gegevenstype hebben. Zie het gedeelte De gekoppelde velden in uw query controleren voor instructies.

De record is verwijderd

Dit kan gebeuren wanneer het object of de database beschadigd is.

Comprimeer en herstel de database. Zie het gedeelte Uw database comprimeren en herstellen voor instructies.

De alias | in de lijst SELECT van de querydefinitie veroorzaakt een kringverwijzing

De alias die is toegewezen aan een veld is gelijk aan een component van de expressie voor dat veld.

Een alias is een naam die in de rij Veld in het queryontwerpraster aan een expressie wordt toegewezen, maar die geen echt veld is. In Access wordt automatisch een alias toegewezen als u dit niet zelf doet, bijvoorbeeld EXPR1. Een alias wordt gevolgd door een dubbele punt (:) en vervolgens door de expressie. Wanneer u de query uitvoert, wordt de alias in het gegevensblad als kolomnaam gebruikt.

Wijzig de alias. Zie het gedeelte Een veldalias wijzigen voor instructies.

#Fout

Deze fout kan zich voordoen wanneer de waarde van een berekend veld groter is dan de waarde die is toegestaan door de instelling van de eigenschap Veldlengte van het veld. Deze fout doet zich tevens voor wanneer de noemer van een berekend veld nul (0) is of nul (0) als resultaat geeft.

Controleer of de noemer van het berekend veld niet als resultaat nul (0) geeft. Wijzig zonodig de eigenschap Veldlengte.

#Verwijderd

De record waarnaar wordt verwezen, is verwijderd.

Indien de record per ongeluk is verwijderd, moet de record worden teruggezet vanuit een back-up. Indien de verwijdering geen vergissing was, drukt u op Shift + F9 om het foutbericht te negeren en de query te vernieuwen.

De gekoppelde velden in uw query controleren

Als u de gegevenstypen van velden in een query wilt controleren, moet u de brontabellen bekijken in de ontwerpweergave en de eigenschappen van de desbetreffende velden inspecteren.

  1. Open de query in de ontwerpweergave. De joins worden weergegeven als lijnen tussen de velden in de brontabellen. Let op de tabel- en veldnamen voor elke join.

  2. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op elke tabel waarvan een of meer velden gekoppeld zijn in uw query en klik vervolgens op Ontwerpweergave.

    Gekoppelde velden met verschillende gegevenstypen

    1. Gekoppelde velden met verschillende gegevenstypen

    2. Klik met de rechtermuisknop op de tabel en klik vervolgens op Ontwerpweergave

  3. Vergelijk voor elke join de waarden in de kolom Gegevenstype (van het tabelontwerpraster) voor de velden die betrokken zijn bij die join.

    Controleer het gegevenstype van het gekoppelde veld in de ontwerpweergave van de tabel

    1. Controleer het gegevenstype van de gekoppelde velden in de ontwerpweergave van de tabel

  4. Klik op het tabblad met de naam van de tabel als u wilt overschakelen naar de tabel om te velden te kunnen bekijken.

Naar boven

Uw database comprimeren en herstellen

U kunt de prestaties van uw database verhogen met het hulpprogramma Database comprimeren en herstellen. Met dit hulpprogramma kunt u een kopie van het databasebestand maken en het bestand defragmenteren. Nadat het comprimeren en herstellen is voltooid, heeft de gecomprimeerde database de verloren gegane ruimte teruggewonnen en is het nieuwe bestand meestal kleiner dan het oorspronkelijke bestand. Door de database regelmatig te comprimeren, bevordert u de optimale prestaties van de databasetoepassing en kunt u tevens fouten oplossen die voortvloeien uit hardwareproblemen, stroomstoringen, piekspanningen en dergelijke.

Na het comprimeren is de querysnelheid verbeterd omdat de onderliggende gegevens in aaneengesloten pagina's naar de tabellen zijn herschreven. Het doorzoeken van aaneengesloten pagina's verloopt veel sneller dan het doorzoeken van gefragmenteerde pagina's. Ook de query's worden geoptimaliseerd na elke compressie van de database.

Tijdens het comprimeren kunt u de oorspronkelijke naam voor het gecomprimeerde databasebestand gebruiken, of een andere naam gebruiken om een afzonderlijk bestand te maken. Als u dezelfde naam gebruikt wordt het oorspronkelijke bestand nadat het comprimeren is voltooid automatisch vervangen door de gecomprimeerde versie.

Een optie instellen om dit proces te automatiseren

  1. Klik op de Microsoft Office-knop Office-knopvlak en klik vervolgens op Opties voor Access.

  2. Klik op Huidige database en schakel onder Toepassingsopties het selectievakje Comprimeren bij sluiten in.

    De database wordt bij het sluiten in het vervolg automatisch gecomprimeerd en hersteld.

Uw database handmatig comprimeren en herstellen

  1. Klik op de Microsoft Office-knop Office-knopvlak , wijs Beheren aan en klik vervolgens onder Deze database beheren op Database comprimeren en herstellen.

Opmerking: Voor een geslaagde compressie moet de vaste schijf over voldoende opslagruimte beschikken voor zowel de oorspronkelijke als de gecomprimeerde database.

Naar boven

Een veldalias wijzigen

  1. Open de query in de ontwerpweergave.

  2. Zoek in het ontwerpraster van de query naar velden die aliassen hebben. Deze velden hebben een dubbele punt achter de veldnaam, bijvoorbeeld Naam:.

  3. Controleer elke alias om er zeker van te zijn dat de alias niet gelijk is aan de naam van een veld dat deel uitmaakt van de expressie van de alias. Als dat wel het geval is, dient u de alias te wijzigen.

Naar boven

Uw Office-vaardigheden uitbreiden
Training verkennen
Als eerste nieuwe functies krijgen
Deelnemen aan Office Insiders

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback.

Hartelijk dank voor uw feedback! Het lijkt ons een goed idee om u in contact te brengen met een van onze Office-ondersteuningsagents.

×