Office
Aanmelden

Microsoft Office Servers 2010: veelgestelde vragen/Leesmij

Alle servers

Upgrade

Integratie met Reporting Services:

Documentindeling:

Alle servers (taalspecifiek)

Installatie

Dialoogvensters (Hindi)

Platform voor ondersteuning

MOSS-webonderdeel Web Analytics:

BCS (Business Connectivity Services)

Excel en Access Services

Inhoudsbeheer voor ondernemingen

IME

IME (JPN):

Mobiliteit

Office Web Applications 2010

Stijlen

Project Server 2010

SharePoint Business Intelligence

Installatie/configuratie

Gegevensbronnen

Rapporten en scorecards van PerformancePoint

PerformancePoint Dashboard Designer

SharePoint Designer 2010

Basisversie van SharePoint Server 2010

Synchronisatie van gebruikersprofielen:

Implementatie:

Gebruikersprofielservice:

OOB-werkstroom:

Basisversie van SharePoint Server 2010 (taalspecifiek)

Goedkeuring van Oost-Aziatische groep:

SharePoint Workspace

Webservices van SharePoint Workspace 2010:

Integratie van Office Communicator:

Bestaande, aangepaste hulpprogramma's van Groove 2007

Lijsten synchroniseren

OneNote-bestanden synchroniseren

IRM-documentbibliotheken synchroniseren:

SharePoint-werkruimten maken:

Microsoft Visio Services

Alle bekende problemen zijn per toepassing gegroepeerd.

Alle servers

Upgrade

Wanneer u een database probeert bij te werken naar SharePoint 2010 via een proces voor het koppelen van databases, kan de upgrade mislukken als de bronwebtoepassing Windows Auth en de bestemming Windows Auth met claims ingeschakeld is.

Dit probleem treedt op doordat tijdens het upgradeproces geen id voor de indeling van Windows-claims met Volledig beheer als webtoepassingsbeleid kan worden toegevoegd voor degene die de upgrade uitvoert.

U kunt dit probleem beperken door de database bijwerken: koppel eerst een bestaande Windows Auth-webtoepassing om de upgrade te starten en migreer vervolgens naar Windows Auth met claims ingeschakeld zodra de upgrade is voltooid. U kunt ook Volledig beheer als webtoepassingsbeleid voor de indeling van Windows-claims opnemen voor de gebruiker die de het upgradeproces via een gekoppelde database uitvoert.

Als u een farmupgrade uitvoert met de wizard Configuratie van producten van SharePoint 2010 (PSConfigUI.exe), kan er een fout optreden.

Dit foutbericht kan de volgende informatie bevatten:

[psconfigui] [SPUpgradeSession] [FOUT] [2-5-2010 13:22:32]: Deze upgradesessie is gestopt. Mogelijke oorzaken zijn dat het proces onverwacht is beëindigd of dat het besturingssysteem opnieuw is opgestart. Start de upgrade opnieuw.

Als u de upgrade opnieuw probeert te starten, kan deze mislukken zonder dat er informatie hierover wordt opgeslagen in de upgradelogboeken. Dit probleem kan optreden als het serviceaccount waarmee de timerservice is uitgevoerd, is verlopen of anderszins ongeldig is, waardoor deze service niet kan worden gestart tijdens de upgrade. Als u een upgrade opnieuw probeert te starten terwijl een server deze status heeft, mislukt de upgrade.

Als u dit probleem wilt oplossen, moet u met de volgende opdracht de instellingen voor de timerservice in de farm en op de lokale computer bijwerken met de nieuwe wachtwoordgegevens voor het farmaccount:

stsadm.exe -o updatefarmcredentials

Nadat de opdracht is uitgevoerd en de timerservice is gestart, kunt u de upgrade hervatten door de wizard Configuratie van producten van SharePoint 2010 (PSConfigUI.exe) opnieuw te starten.

Integratie met Reporting Services

Wanneer u een rapportbestand van Reporting Services (.rdl) selecteert en met de rechtermuisknop klikt om het contextmenu weer te geven, ontbreken de specifieke pictogrammen van Reporting Services.

Met de invoegtoepassing SQL Reporting Services worden nieuwe directory's en bestanden gemaakt onder de directory %programfiles%\Common Files\Microsoft Shared\Web Server Extensions\12\Template\images. Na een interne upgrade worden deze bestanden en directory's gekopieerd naar overeenkomstige locaties onder de directory %programfiles%\Common Files\Microsoft Shared\web server extensions\14\, maar deze hebben niet de juiste ACL's voor de directory's en bestanden, waardoor de eigen pictogrammen van de rapportservice niet correct kunnen worden weergegeven.

U kunt dit probleem voorkomen door de webonderdelen van de rapportservice te upgraden naar versie SQL 2008 R2 voordat u de upgrade naar de SharePoint 2010-producten uitvoert. Hierdoor voorkomt u de ACL-problemen die zich voordoen tijdens het upgraden bij het gebruik van eerdere versies van de webonderdelen van de rapportservice.

Een andere mogelijkheid is: als dit probleem zich voordoet na het upgraden naar SharePoint 2010-producten, kunt u de ACL's voor de toegevoegde directory's wijzigen om weergave van de pictogrammen mogelijk te maken. In dat geval zult u de directory-ACL's op de server zodanig moeten bijwerken dat zij leesmachtigingen bevatten voor de groep Gebruikers van de volgende directory's:

  • ReportServer

  • lg_ReportServer

Het hierboven beschreven proces van opnieuw toekennen van ACL's is mogelijk ook vereist als de installatie of upgrade van de rapportservicecomponenten van versie SQL 2008 R2 na installatie of upgrade van SharePoint 2010-producten op de server.

Documentindeling

De indeling van Microsoft Office 2010-documenten in Windows Vista en Windows 2008 Server kan afwijken van die in Windows XP en Windows 7.

Microsoft Office 2010 bevat de nieuwste versie van verschillende lettertypen die ook beschikbaar zijn in Windows 7. Deze lettertypen kunnen echter niet door Office 2010 worden geïnstalleerd in Windows Vista of Windows 2008 Server vanwege de bestandsbeveiliging van deze besturingssystemen. Hierdoor kan de indeling van Office 2010-documenten in bijvoorbeeld Windows 7 afwijken van die in Windows Vista.

This issue is fixed in an update for Windows Vista and for Windows Server 2008. This update removes the system file protection of some font files.

Belangrijk:  Gebruikers die Office 2010 al hebben geïnstalleerd op een computer met Windows Vista of Windows 2008 Server en die de nieuwste versie van de lettertypen willen gebruiken, moeten eerst Office 2010 verwijderen en vervolgens de Windows-update installeren voordat ze Office 2010 opnieuw installeren.

Als u deze update wilt installeren, volgt u de instructies in het volgende Microsoft Knowledge Base-artikel: https://support.microsoft.com/nl-nl/kb/980248.

Naar boven

Alle servers (taalspecifiek)

Installatie

Configuratie van FAST Search Server mislukt voor Italiaanse versie van Win2k8 SP2 X64.

Post Setup Configuration fails with this error:

Exception - : Exception - Microsoft.SharePoint.Search.Extended.Installer.Mahasen.Common.Exception.DeploymentException: XML Validation error: L'attributo 'modifiedTime' non è valido. Il valore '2010-04-16T14.35.48Z' non è valido per il tipo di dati 'http://www.w3.org/2001/XMLSchema:dateTime' - La stringa "2010-04-16T14.35.48Z" non è un valore XsdDateTime valido. in Microsoft.SharePoint.Search.Extended.Installer.Mahasen.Common.SystemModel.SearchInstallation..ctor(String deploymentXML)

Vertaald naar het Nederlands:

Uitzondering -: Uitzondering - Microsoft.SharePoint.Search.Extended.Installer.Mahasen.Common.Exception.DeploymentException: XML-validatiefout: het kenmerk 'modifiedTime' is ongeldig. De waarde '2010-04-16T14 .35.48 Z 'is ongeldig voor het gegevenstype' http://www.w3.org/2001/XMLSchema:dateTime '- De tekenreeks "2010-04-16T14.35.48Z" XsdDateTime is geen geldige waarde.   in Microsoft.SharePoint.Search.Extended.Installer.Mahasen.Common.SystemModel.SearchInstallation .. ctor (tekenreeks deploymentXML)

De beste manier om dit tijdelijk op te lossen, is door Win2k8 R2 in plaats van Win2k8 SP2 te installeren. Een andere tijdelijke oplossing is om dit bestand te verwijderen: C:\FASTSearch\etc\deployment.xsd. Als dat bestand niet kan worden gevonden, vindt er namelijk geen schemavalidatie plaats.

Installatie van FAST Search Center:

Replacing the default FASTSearch certificate with a new certificate using the provided script: ReplaceDefaultCertificate.ps1 fails on Japanese OS.

Tijdelijke oplossing:

  1. Make a backup of the file.

  2. Replace the wrong "-eq" with a new "-eq" and save.

Opmerking:  : deze oplossing kunt u beter niet gebruiken in productieomgevingen, omdat wijziging van dit bestand toekomstige patches bemoeilijkt. Het bestand kan later niet door een patch worden vervangen.

Dialoogvensters (Hindi)

De tekst is te klein in sommige menu’s en dialoogvensters in de Hindi-versie van Office 2010 op Windows 7:

In Windows 7 is het lettertype Mangal, dat wordt gebruikt voor Hindi en andere op Devanagari gebaseerde talen, bijgewerkt naar versie 5.90 om het detailniveau van de afzonderlijke karakters te verbeteren. Deze update had kleinere tekst tot gevolg. Dit maakte de tekst met het lettertype Mangal in menu's en dialoogvensters moeilijk leesbaar, net als in de Hindi-versie van Office 2010.

Antwoord:

Installeer Windows 7 SP1.

Naar boven

Platform voor ondersteuning

MOSS-webonderdeel Web Analytics

Het webonderdeel Web Analytics werkt pas goed als de zoekservicetoepassing aanwezig is en de zoekinhoud is verkend. Beide gegevenstypen van het webonderdeel Web Analytics zijn afhankelijk van een werkende zoekservicetoepassing:

  1. Voor het gegevenstype Inhoud moet de beveiligingsbeperking van de zoekfunctie worden aangeroepen.

  2. Voor het gegevenstype Query's worden gegevens gebruikt die tijdens het zoeken naar gebruikers zijn verzameld.

Als in het webonderdeel Geen resultaat om weer te geven wordt weergegeven, komt dit mogelijk doordat de zoekservicetoepassing ontbreekt.

Als in het webonderdeel Er is een fout opgetreden bij het ophalen van gegevens wordt weergegeven, komt dit mogelijk doordat de inhoud niet is verkend.

Voer enkele basiszoekacties uit op de site om te bepalen of de zoekfunctie überhaupt werkt. Raadpleeg vervolgens het ULS-logboek voor meer informatie in dergelijke situaties.

Als de zoekservicetoepassing ontbreekt, kunt u naar Centraal beheer -> Servicetoepassingen beheren gaan of de wizard Farmconfiguratie gebruiken om een nieuwe toepassing te maken.

Ga naar Servicetoepassingen beheren als de zoekservicetoepassing aanwezig is, maar de verkenning niet wordt uitgevoerd. Beheer vervolgens de zoekservicetoepassing (selecteer de toepassing en klik op het lint op de knop Beheren). Bekijk of de verkenningsgeschiedenis informatie bevat (geschiedenis of fouten). Klik links in het navigatiedeelvenster in de sectie Verkennen op de koppeling Inhoudsbronnen en ga naar de pagina Inhoudsbronnen beheren. Standaard bevat deze pagina Lokale SharePoint-sites (of andere inhoudsbronnen). Klik in de vervolgkeuzelijst op de naam van de inhoudsbron, selecteer Volledige verkenning starten en wacht totdat de verkenning is uitgevoerd.

Voer na een van de bovenstaande fixes IISReset uit zodat de cache van het webonderdeel Web Analytics wordt gewist en gegevens opnieuw worden opgehaald.

Naar boven

Business Connectivity Services

Er zijn op dit moment geen problemen.

Naar boven

Excel en Access Services

Er zijn op dit moment geen problemen.

Naar boven

Inhoudsbeheer voor ondernemingen

Er zijn op dit moment geen problemen.

Naar boven

IME

IME (JPN)

De SharePoint-woordenlijst wordt alleen in de nieuwste IME geïnstalleerd. Wanneer de gebruiker Office 2007 IME en Office 2010 IME installeert en vervolgens de SharePoint-woordenlijst, wordt de geïnstalleerde woordenlijst alleen geregistreerd in Office 2010 IME.

Naar boven

Mobiliteit

Er zijn op dit moment geen problemen.

Naar boven

Office Web Applications 2010

Stijlen

De landinstelling die u hebt geconfigureerd voor uw documentbibliotheek <> Nederlands.

Wanneer u in de WAC Word-editor tekst met een eerder ongebruikte stijl maakt, zoals Kop 4, is de stijldefinitie hetzelfde als het Nederlands. Voordat u taalspecifieke documenten bewerkt:

  1. Configureer de landinstelling voor de site.

  2. Sluit de browser.

  3. Voer IISReset uit.

Naar boven

Project Server 2010

Er zijn op dit moment geen problemen.

Naar boven

SharePoint Business Intelligence

Installatie/configuratie

Een upgrade uitvoeren: na een upgrade van een voorlopige versie van PerformancePoint Services naar de releaseversie, werkt de voorbeeldwerkmap van Excel Services in het Business Intelligence Center niet meer.

Antwoord: bij een upgrade van een voorlopige versie naar de RTM-versie van PerformancePoint Services moet u eventuele voorbeeldwerkmappen in het Business Intelligence Center vervangen.

U kunt dit doen door een bijgewerkte werkmap te downloaden of door een nieuwe Business Intelligence Center-site te maken.

Installatie: moeten herdistribueerbare onderdelen voor SQL Server worden geïnstalleerd met PerformancePoint Services Beta 2?

Antwoord: als u verbinding wilt maken met gegevensbronnen van Analysis Services (dus als u de installatieoptie Geavanceerd selecteert), moet u het functiepakket van december 2008 voor Microsoft SQL Server 2005 installeren. Dit functiepakket bevat twee vereiste onderdelen: ADOMD.NET en Management Objects Collection (XMO).

U kunt dit functiepakket downloaden op deze Engelstalige pagina: Feature Pack for Microsoft SQL Server 2005 - December 2008 (http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=157389).

Installatie: wanneer u een upgrade uitvoert van Microsoft Office SharePoint Server 2007 naar Microsoft SharePoint Server 2010, worden de namen van bepaalde soorten webonderdelen mogelijk niet bijgewerkt.

Key Performance Indicators die zijn gemaakt met SharePoint Server 2007, worden voortaan statusindicatoren genoemd in SharePoint Server 2010. Daarnaast worden KPI-details die zijn gemaakt met SharePoint Server 2007, voortaan indicatorgegevens genoemd in SharePoint Server 2010. KPI's en KPI-detailrapporten worden voortaan gemaakt met PerformancePoint Dashboard Designer.

Tijdelijke oplossing: geen.

Installatie: waarmee moet ik als beheerder van een SharePoint-site rekening houden als ik een nieuwe rapportcentrumsite maak met PerformancePoint Services Beta 2 nadat ik de upgrade heb uitgevoerd met een gekoppelde database?

Antwoord: bewerk het bestand ONet.XML voor de sjabloon van het rapportcentrumsite voordat u live gaat, zodat de nieuwe hoofdpagina moet worden gebruikt op de site. Hiermee zorgt u ervoor dat de nieuwe hoofdpagina wordt gebruikt op de nieuwe rapportcentrumsites die door uw gebruikers worden gemaakt.

Installatie: wanneer Dashboard Designer wordt geopend, worden bijbehorende SharePoint-lijsten (zoals PerformancePoint-inhoud en gegevensverbindingen) mogelijk niet automatisch geladen.

Dit kan worden veroorzaakt door de manier waarop bepaalde beveiligingsinstellingen zijn geconfigureerd in SharePoint Server. Dit is met name het geval wanneer beveiligingsinstellingen zo zijn geconfigureerd dat de FQDN InternetSecurityManager.MapUrlToZone het webadres (URL) retourneert als internet-URL. Met MapZoneToUrl kunnen Lokaal, Intranet, Vertrouwd, Internet of Beperkt worden geretourneerd als geldige waarden. Wanneer u echter Internet hebt geselecteerd, worden de benodigde SharePoint-lijsten niet geladen. Dit kan ook gebeuren wanneer het IP-adres wordt gebruikt in plaats van de URL.

Tijdelijke oplossing: ga op een van de volgende manieren te werk:

  • Geef de juiste URL van de SharePoint-server op.
    Klik hiervoor op de knop Backstage en klik vervolgens op Opties voor Designer. Klik op het tabblad Server en geef de URL van de SharePoint-server op. Klik vervolgens op OK.

  • Voeg de FQDN en het IP-adres toe als vertrouwde sites.

Installatie: gebruikers kunnen Dashboard Designer niet vinden in het menu Start.

Eerdere versies van PerformancePoint Dashboard Designer worden niet automatisch verwijderd uit het menu Start wanneer u een upgrade naar PerformancePoint Services uitvoert in Microsoft SharePoint Server 2010.

Tijdelijke oplossing: gebruik de volgende procedure:

  1. Ga in het menu Start naar een oude versie van Dashboard Designer. Blader naar een van de volgende locaties of naar beide locaties:

    • Klik op Start > Programma's (of Alle programma's) > Microsoft Office PerformancePoint Server 2007 > Dashboard Designer.

    • Klik op Start > Programma's (of Alle programma's) > PerformancePoint Services for SharePoint > Dashboard Designer.

  2. Klik met de rechtermuisknop op Dashboard Designer en klik op Verwijderen.

  3. Installeer en start de meest recente versie van Dashboard Designer.

Installatie: wanneer u een upgrade naar Microsoft SharePoint Server 2010 uitvoert, worden knooppuntleden mogelijk niet juist weergegeven in statusindicatoren die in een KPI-webonderdeel worden weergegeven.

Dit kan gebeuren wanneer KPI-webonderdelen meerdere kolommen bevatten en zijn gemaakt met Microsoft Office SharePoint Server 2007.

Tijdelijke oplossing: verwijder de meerdere kolommen uit het KPI-webonderdeel en voeg deze opnieuw toe aan het rapport. De knooppuntleden worden vervolgens juist weergegeven.

Installatie: als u een upgrade uitvoert van een bètaversie naar de RTM-versie van PerformancePoint Services 2010, moet u mogelijk het bestand web.config handmatig configureren om het maken van lijstitems in te schakelen.

When you upgrade from a Beta version of PerformancePoint Services to the RTM version, the section that contains the list item components is removed. Thus, any attempt to create a new list item will be unsuccessful.

Workaround: To restore the deleted section, edit the web.config file as follows:

  1. Within the "configsections" tags, insert the following code:

<sectionGroup name="Bpm">
<section name="FCODaoProviders"
type="System.Configuration.DictionarySectionHandler" />
</sectionGroup>

  1. Typ het volgende direct voor de afsluitende tag "configuration" (/configuration):

<Bpm>

<FCODaoProviders>

<add key="DashboardSPDao" value="Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store.Dao.DashboardSPDao, Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store,
Version=14.0.0.0, Culture=neutral,
PublicKeyToken=71e9bce111e9429c" />

<add key="DataSourceSPDao" value="Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store.Dao.DataSourceSPDao, Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store, Version=14.0.0.0,
Culture=neutral, PublicKeyToken=71e9bce111e9429c" />

<add key="FilterSPDao" value="Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store.Dao.FilterSPDao, Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store, Version=14.0.0.0,
Culture=neutral, PublicKeyToken=71e9bce111e9429c" />

<add key="IndicatorSPDao" value="Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store.Dao.IndicatorSPDao, Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store, Version=14.0.0.0,
Culture=neutral, PublicKeyToken=71e9bce111e9429c" />

<add key="KpiSPDao" value="Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store.Dao.KpiSPDao, Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store, Version=14.0.0.0,
Culture=neutral, PublicKeyToken=71e9bce111e9429c" />

<add key="ReportViewSPDao" value="Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store.Dao.ReportViewSPDao, Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store, Version=14.0.0.0,
Culture=neutral, PublicKeyToken=71e9bce111e9429c" />

<add key="ScorecardSPDao" value="Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store.Dao.ScorecardSPDao, Microsoft.PerformancePoint.Scorecards.Store, Version=14.0.0.0,
Culture=neutral, PublicKeyToken=71e9bce111e9429c" />

</FCODaoProviders>

</Bpm>

Opmerking:  Lijstitems die u hebt geprobeerd te maken in het bijgewerkte product worden toegevoegd aan deze sectie "Bpm".

Gegevensbronnen

Gegevensbronnen: PerformancePoint Services 2010 ondersteunt geen SAP BW-connectiviteit.

Hiervoor is geen oplossing beschikbaar.

Gegevensbronnen: als uw gegevens ISBN-id's bevatten, waarin het eerste getal meestal een nul is, wordt de nul verwijderd uit deze id's.

Tijdelijke oplossing: vervang de eerste nul in ISBN-id's door een letterteken.

Gegevensbronnen: waarom wordt er een foutbericht weergegeven wanneer ik probeer een servicetoepassing te verwijderen?

Als u probeert een servicetoepassing te verwijderen waarin nog altijd een afhankelijke proxy wordt gebruikt, wordt er een foutbericht weergegeven.

Tijdelijke oplossing: verwijder eerst de proxy van de servicetoepassing en verwijder vervolgens de servicetoepassing zelf. Als u een van beide items wilt verwijderen, selecteert u dit, waarna u het item kunt verwijderen via het lint.

Gegevensbronnen: u kunt geen gegevensbron voor Excel 2007-werkmappen maken of bewerken in PerformancePoint Services.

Antwoord: als u Excel 2007 uitvoert op een 64-bits besturingssysteem, kunt u gegevensbronnen voor werkmappen niet maken of bewerken. Deze functie wordt alleen ondersteund in de volgende omgevingen:

  • 32-bits besturingssysteem: Office 2007 Office 2010

  • 64-bits besturingssysteem: Office 2010 (x64)

Gegevensbronnen: wanneer er een foutbericht wordt weergegeven als u een Excel Web App-werkmap als gegevensbron probeert te gebruiken, hebt u waarschijnlijk een Klik-en-Klaarversie van Excel geïnstalleerd. Het foutbericht geeft aan dat Excel niet is geïnstalleerd.

Microsoft Excel Web App-werkmappen die gebruikmaken van de Klik-en-Klaarversie (gevirtualiseerd) van Office 2010, kunnen niet als gegevensbron worden gebruikt binnen PerformancePoint Services.

Tijdelijke oplossing: gebruik de gewone (handels-)versie van Excel 2010.

Gegevensbronnen: als u een Analytic-rapport maakt dat PowerPivot als gegevensbron gebruikt en het rapport vervolgens probeert te implementeren in een dashboard, wordt u mogelijk om gebruikersreferenties gevraagd en verschijnt er een foutbericht.

Als u PowerPivot wilt gebruiken voor een Analytic-rapport van PerformancePoint Services, moet u eerst een Windows-hotfix installeren (zie: KB-artikel 975954).

Gegevensbronnen: scorecards met een tabelgegevensbron die is geconfigureerd voor het gebruik van Time Intelligence, kunnen onnauwkeurige gegevens bevatten, afhankelijk van de tijdzone die is opgegeven in SharePoint Server.

Wanneer u een tabelgegevensbron maakt, zoals een aangepaste SharePoint-lijst, en u de kolom Datum/tijd gebruikt, worden de waarden die u toevoegt aan de lijst standaard opgeslagen in de tijdzone UTC. Dit gebeurt zelfs wanneer u zich in een andere tijdzone bevindt. Wanneer u echter de gegevensbron zo configureert dat deze werkt met Time Intelligence, moet u voor alle invoerwaarden de tijdzone UTC gebruiken. Anders kunnen onjuiste gegevens worden weergegeven in scorecards met deze gegevensbron.

Tijdelijke oplossing: gebruik alleen de tijdzone UTC voor tabelgegevensbronnen met datum- en tijdwaarden.

Gegevensbronnen: wanneer u in Dashboard Designer een KPI opnieuw opent, wordt de bijbehorende gegevensbron niet weergegeven in het deelvenster Details.

Wanneer u een of meer KPI's opnieuw opent in de werkruimte van PerformancePoint Dashboard Designer, worden de gegevensbronnen van deze KPI's niet automatisch geopend in de werkruimte.

Tijdelijke oplossing: ga naar de gegevensbronnen van de KPI's en dubbelklik op elke bron om deze te openen in de werkruimte. Selecteer vervolgens in het deelvenster Details in de lijst Gegevensbron de juiste gegevensbron voor elke KPI.

Gegevensbronnen: wanneer u scorecards of Analytic-grafieken of -rasters maakt met gegevens die zijn opgeslagen in PowerPivot voor Excel 2010, kunt u geen benoemde sets gebruiken.

Benoemde sets die u hebt gemaakt met PowerPivot voor Excel 2010, zijn alleen beschikbaar in het Excel-bestand waarin u deze hebt gemaakt.

Tijdelijke oplossing: geen.

Gegevensbronnen: als u Dashboard gebruikt, kunt u Inzoomen, Uitzoomen of Details weergeven niet gebruiken voor een scorecard of voor een Analytic-grafiek of -raster met gegevens die zijn opgeslagen in PowerPivot voor Excel 2010.

Dit kan gebeuren doordat gebruikershiërarchieën niet worden ondersteund in PowerPivot voor Excel 2010.

Tijdelijke oplossing: geen.

Gegevensbronnen: u kunt KPI's die met PowerPivot voor Excel 2010 zijn gemaakt, niet als statusindicator importeren in Microsoft SharePoint Server 2010.

U kunt KPI's maken met PowerPivot voor Excel 2010, maar u kunt deze KPI's niet opslaan in de gegevenskubus.

Tijdelijke oplossing: geen.

Gegevensbronnen: lideigenschappen zijn niet beschikbaar in Analytic-rapporten en in scorecards met PowerPivot voor Excel 2010 als gegevensbron.

In PowerPivot worden Excel 2010 lideigenschappen niet weergegeven binnen de gegevenskubus.

Gegevensbronnen: voor bepaalde Analytic-rapporten en scorecards wordt geen getalnotatie weergegeven die wordt toegepast in de gegevenskubus.

Dit gebeurt met scorecards, Analytic-grafieken en Analytic-rasters waarin gegevens van PowerPivot voor Excel 2010 worden gebruikt. De notatie die wordt toegepast op meetwaarden, wordt niet overgenomen in PerformancePoint-rapporten en -scorecards.

Gegevensbronnen: wanneer u probeert een afbeelding weer te geven in een rasterweergave, wordt de hardcoded URL en niet de eigenlijke afbeelding weergegeven.

In PerformancePoint Services kunnen geen afbeeldingen worden weergegeven die met hardcoded URL's zijn gekoppeld aan productdimensiekenmerken.

Tijdelijke oplossing: maak een rapport met SQL Server Reporting Services (SSRS) en koppel dit in PerformancePoint Services-dashboards als SSRS-rapport.

Gegevensbronnen: de achtergrondkleur van een shape in een strategieweergave wordt niet bijgewerkt wanneer prestaties voor een KPI worden gewijzigd.

Dit kan gebeuren wanneer Time Intelligence wordt gebruikt voor de scorecard-KPI.

Tijdelijke oplossing: geen.

Gegevensbronnen: in scorecardcellen worden foutberichten in plaats van numerieke waarden weergegeven.

Deze fouten kunnen optreden in scorecards met berekende leden, zoals scorecards met een Time Intelligence-formule, een dimensiefilter of een berekende meetwaarde in een gegevenskubus. De fouten kunnen ook optreden omdat de aggregatie van KPI-meetwaarden standaard is ingesteld op Cumulatief.

Tijdelijke oplossing: ga op een van de volgende manieren te werk:

  • Gebruik geen berekende kubusmeetwaarden in de scorecard. Selecteer in plaats hiervan een andere meetwaarde in het dialoogvenster Driedimensionale gegevensbron toewijzen. Ga hiervoor als volgt te werk:

    1. Dubbelklik in de werkruimtebrowser op de KPI waarin de berekende kubusmeetwaarde wordt gebruikt. Ga vervolgens in de rij Werkelijk naar de kolom Gegevenstoewijzingen en dubbelklik op de hypertekst in de cel. Het dialoogvenster Driedimensionale gegevensbron toewijzen wordt geopend.

    2. Ga naar de sectie Selecteer een maateenheid en selecteer een meetwaarde in de vervolgkeuzelijst.

    3. Klik op OK om het dialoogvenster Driedimensionale gegevensbron toewijzen te sluiten. Klik vervolgens in de werkruimtebrowser met de rechtermuisknop op de KPI die u zojuist hebt gewijzigd en klik op Opslaan.

    4. Dubbelklik in de werkruimtebrowser op de scorecard met de KPI die u zojuist hebt gewijzigd. Klik op het lint op het tabblad Bewerken en klik op Bijwerken. De scorecard wordt juist weergegeven.

    5. Klik in de werkruimtebrowser met de rechtermuisknop op de scorecard die u zojuist hebt gewijzigd en klik op Opslaan.

  • Configureer in het dialoogvenster Driedimensionale gegevensbron toewijzen de aggregatie van KPI-meetwaarden. Ga hiervoor als volgt te werk:

    1. Dubbelklik in de werkruimtebrowser op de KPI waarin de berekende kubusmeetwaarde wordt gebruikt. Ga vervolgens in de rij Werkelijk naar de kolom Gegevenstoewijzingen en dubbelklik op de hypertekst in de cel. Het dialoogvenster Driedimensionale gegevensbron toewijzen wordt geopend.

    2. Ga naar de sectie Leden aggregeren op en selecteer in de vervolgkeuzelijst een van de volgende opties: Som, Minimum, Maximum, Aantal of Gemiddelde.

    3. Klik op OK om het dialoogvenster Driedimensionale gegevensbron toewijzen te sluiten. Klik vervolgens in de werkruimtebrowser met de rechtermuisknop op de KPI die u zojuist hebt gewijzigd en klik op Opslaan.

    4. Dubbelklik in de werkruimtebrowser op de scorecard met de KPI die u zojuist hebt gewijzigd. Klik op het lint op het tabblad Bewerken en klik op Bijwerken. De scorecard wordt juist weergegeven.

    5. Klik in de werkruimtebrowser met de rechtermuisknop op de scorecard die u zojuist hebt gewijzigd en klik op Opslaan.

Gegevensbronnen: als het bericht Onverwachte fout verschijnt wanneer u een gegevensbron probeert te selecteren in de lijst in Dashboard Designer, is er sprake van een bekend probleem met achterwaartse compatibiliteit.

Tijdelijke oplossing: als u verbinding wilt maken met een Excel Services 2007-werkmap in Dashboard Designer, moet u de naam van het item handmatig invoeren. De werkmap uit de oudere versie wordt niet automatisch weergegeven op de vervolgkeuzelijst met gegevensbronnen.

Rapporten en scorecards van PerformancePoint

Rapporten: het kan soms gebeuren dat geen van de rapporten of scorecards in een PerformancePoint-dashboard op de juiste manier wordt weergegeven en u een foutbericht over geweigerde toegang ziet.

Dit kan het gevolg zijn van een probleem met failover van de database.

Tijdelijke oplossing: vernieuw de inhoud van het browservenster of open het dashboard in een nieuw browservenster.

Rapporten: het rapport Mijn PerformancePoint-webpagina wordt niet juist weergegeven.

Dit kan gebeuren wanneer het webadres (URL) voor het webpaginarapport langer is dan 2048 tekens. Deze waarde is de limiet voor bepaalde browsers. Zie:http://support.microsoft.com/kb/q208427/.

Tijdelijke oplossing: vraag bij de systeembeheerder na hoe lang een URL mag zijn. Gebruik zo nodig een kortere URL.

Scorecards: in aggregaties van scorecards met lege cellen worden de verwachte resultaten niet weergegeven. Er wordt dus niet weergegeven dat de lege cellen een nulwaarde bevatten.

Hiervoor is geen oplossing beschikbaar.

Scorecards: bepaalde kolommen in een scorecard lijken te breed of bevatten numerieke waarden waarmee indicatoren worden overlapt.

Dit kan gebeuren wanneer een indicator voor het eerst wordt weergegeven in een browser (zoals Internet Explorer, Mozilla Firefox of Safari).

Tijdelijke oplossing: vernieuw eerst de dashboardpagina. De scorecard wordt dan meestal juist weergegeven. Implementeer het dashboard opnieuw als dit niet het geval is.

Scorecards: wanneer u dimensieleden uitvouwt in een PerformancePoint-scorecard die is verbonden met een Analytic-grafiek of -raster, wordt er een foutbericht weergegeven.

Dit kan gebeuren wanneer de verbinding tot stand wordt gebracht via de 'bewerkmodus' op een SharePoint-site of met SharePoint Designer.

Tijdelijke oplossing: ga op een van de volgende manieren te werk:

  • Vernieuw de dashboardpagina.

  • Verwijder de verbinding tussen de scorecard en de Analytic-grafiek of het Analytic-raster. Maak vervolgens de verbinding opnieuw met behulp van PerformancePoint Dashboard Designer.

Scorecards: wanneer u Microsoft Office PerformancePoint Server 2007 SP3 bijwerkt naar PerformancePoint Services in Microsoft SharePoint Server 2010, worden in scorecards mogelijk lege of onnauwkeurige indicatoren weergegeven.

Dit kan gebeuren vanwege wijzigingen in de manier waarop KPI-scores worden berekend.

Tijdelijke oplossing: open en wijzig in PerformancePoint Dashboard Designer de samenvoegingsinstellingen voor de KPI's die worden gebruikt in scorecards. Sla de wijzigingen vervolgens op in SharePoint Server en implementeer de dashboards opnieuw.

Scorecards: wanneer u een aantekening toevoegt aan een doel-KPI die meerdere malen wordt gebruikt in een PerformancePoint-scorecard, wordt deze aantekening weergegeven in elk exemplaar van de doel-KPI.

Dit kan zelfs gebeuren als andere dimensieleden worden weergegeven onder de KPI's in de scorecard. KPI's worden namelijk op een unieke manier geïdentificeerd aan de hand van hun naam en niet de scorecardcellen waarin ze worden weergegeven.

Tijdelijke oplossing: gebruik een unieke naam voor elke doel-KPI in de scorecard.

Scorecards: wanneer u een scorecard hebt geopend in Dashboard Designer en probeert om een opmerking toe te voegen aan een scorecardcel, verschijnt er een bericht over een onbekende fout.

Het foutbericht kan worden weergegeven omdat Opmerkingen inschakelen niet is geselecteerd in de instellingen voor Centraal beheer van PerformancePoint Services.

Tijdelijke oplossing: Geen

Scorecards: wanneer ik een opmerking toevoeg aan een scorecardcel, wordt de auteur van de opmerking alleen de eerste keer weergegeven als i:Anoniem. Waarom word ik (mijn gebruikersaccount) niet vermeld als de auteur?

Als u beschikt over machtigingen in PerformancePoint Services, maar niet bent aangemeld bij SharePoint, worden uw aanmeldingsgegevens automatisch geverifieerd op basis van uw Windows-referenties als u opmerkingen toevoegt aan een scorecard. Dit probleem treedt op wanneer het account Anonieme gebruikers toegang heeft tot de SharePoint-site.

Opmerking:  Deze automatische verificatie geldt alleen voor het toevoegen van auteurs aan opmerkingen in de scorecard.

Tijdelijke oplossing: vernieuw de inhoud van de pagina.

Rapporten: als er een foutbericht verschijnt wanneer u in Dashboard Designer een strategieweergaverapport probeert te maken, is mogelijk niet de juiste versie van Microsoft Visio geïnstalleerd.

U moet de versie van Visio installeren die compatibel is met PerformancePoint Dashboard Designer.

  • Als u de 64-bits editie van Dashboard Designer gebruikt, moet u ook de 64-bits editie van Microsoft Visio 2010 installeren.

  • Als u de 32-bits editie van Dashboard Designer gebruikt, moet u de 32-bits editie van Microsoft Office Visio 2007 of Microsoft Visio 2010 installeren.

Rapporten: als gebruikers proberen het analytisch raster te wijzigen in een ander rapporttype, treedt er een fout op. Dit kan gebeuren wanneer door problemen op de server de Microsoft-grafiekbesturingselementen voor Microsoft .NET Framework 3.5 niet zijn geïnstalleerd tijdens de vereiste installatie van SharePoint Server.

Installeer de Microsoft-grafiekbesturingselementen voor Microsoft .NET Framework 3.5 handmatig (https://www.microsoft.com/nl-nl/download/details.aspx?id=14422.

Rapporten: de achtergrondkleur van een vorm in een strategieweergave wordt niet bijgewerkt wanneer prestaties voor een KPI worden gewijzigd.

De strategieweergave vereist dat Time Intelligence (TI) wordt weergegeven in rijen. Als TI wordt toegevoegd aan kolommen, wordt de informatie niet goed weergegeven.

Tijdelijke oplossing: geen.

Rapporten: er treedt een uitzonderingsfout op in de uitgevouwen structuur wanneer u probeert niet-kubusgegevens te analyseren (gegevens die niet zijn opgeslagen in de multidimensionale database van SQL Server Analysis Services).

U kunt de uitgevouwen structuur alleen gebruiken met gegevensbronnen van Analysis Services. U kunt de structuur niet gebruiken met gegevens die worden opgehaald uit:

Excel Services, Importeren vanuit Excel-werkmap, SharePoint-lijst, SQL Server-tabel of andere aangepaste gegevensbronnen.

De fout treedt op als de werkelijke of doelberekening voor een KPI is ingesteld op Gegevenswaarde.

Tijdelijke oplossing: stel het berekeningstype niet in op Gegevenswaarde voor andere gegevensbronnen dan die van Analysis Services.

PerformancePoint Dashboard Designer

Dashboard Designer: Dashboard Designer kan niet worden gestart vanuit het Business Intelligence Center met behulp van de browser Safari.

Het is raadzaam dat u Internet Explorer gebruikt om Dashboard Designer de eerste keer te starten. Daarna kunt u Dashboard Designer starten via het menu Start (klik op Start > Alle programma's > SharePoint > PerformancePoint Dashboard Designer).

Dashboard Designer: in Windows 7 (64 bits): wanneer u de weergave van een Analytic-rapport probeert te vergroten door het formaat van Dashboard Designer te wijzigen, wordt het rapport met het nieuwe formaat slecht weergegeven.

Tijdelijke oplossing: minimaliseer en herstel het venster van Dashboard Designer nadat u het formaat hebt gewijzigd.

Dashboard Designer: wanneer u in Dashboard Designer een KPI opnieuw opent, wordt de gegevensbron voor de KPI niet weergegeven in het deelvenster Details.

Wanneer u een of meer KPI's opnieuw opent in de werkruimte van PerformancePoint Dashboard Designer, worden de gegevensbronnen van deze KPI's niet automatisch geopend in de werkruimte.

Tijdelijke oplossing: ga naar de gegevensbronnen van de KPI's en dubbelklik op elke bron om deze te openen in de werkruimte. Selecteer vervolgens in het deelvenster Details in de lijst Gegevensbron de juiste gegevensbron voor elke KPI.

Dashboard Designer: er treedt een onverwerkte uitzondering (foutcode 20604) op in de uitgevouwen structuur nadat u Draaitabel en vervolgens Uitgevouwen structuur hebt geselecteerd.

Deze fout treedt op als u een rapport met berekende Time Intelligence-leden als draaitabel weergeeft en vervolgens probeert de gegevens in de uitgevouwen structuur te analyseren. In de draaitabel worden de berekende leden in rijen geplaatst in plaats van kolommen waarin ze kunnen worden gevalideerd.

Tijdelijke oplossing: geef een rapport met berekende Time Intelligence-leden niet weer als draaitabel, want deze leden moeten in kolommen worden weergegeven.

Dashboard Designer: er kan een fout optreden wanneer u in Dashboard Designer op de knop Items importeren klikt. Het foutbericht Kan Alleen-lezen element niet publiceren wordt weergegeven.

Deze fout doet zich voor als de gebruiker die het werkruimtebestand opslaan geen machtiging heeft om een of meer van de SharePoint-items te bewerken.

Tijdelijke oplossing: zoek in het werkruimtebestand alle kenmerken Alleen-lezen op met de volgende tekenreeks: ReadOnly=. Wijzig eventuele waarden die zijn ingesteld op true in false. Nadat u deze wijzigingen in het werkruimtebestand hebt opgeslagen, kunt u de items wel op de normale manier importeren.

Dashboard Designer: wanneer u voor het eerst PerformancePoint Dashboard Designer probeert uit te voeren of te installeren met Mozilla Firefox, wordt mogelijk een foutbericht weergegeven.

In het foutbericht wordt aangegeven dat u de toepassing niet kunt downloaden en dat vereiste bestanden ontbreken. Dit kan gebeuren als Microsoft .NET Framework Assistant 1.1 niet is geïnstalleerd op de computer.

Tijdelijke oplossing: installeer Microsoft .NET Framework Assistant 1.1.

Dashboard Designer: wanneer u een Analytic-grafiek of -raster opent voor bewerking in PerformancePoint Dashboard Designer, is de gegevensbron niet automatisch beschikbaar. Het lijkt alsof het dashboarditem geopend is, maar er wordt geen gegevensbron weergegeven in het deelvenster Details. Bovendien kunt u Meetwaarden, Dimensies, Benoemde sets of andere items in het deelvenster Details niet uitvouwen.

Dit gedrag kan optreden wanneer de gegevensbron van het dashboarditem is opgeslagen op een andere SharePoint-site of op een ander niveau binnen een siteverzameling.

Tijdelijke oplossing: laad de gegevensbron handmatig door deze te openen in Dashboard Designer. De gegevensbron wordt weergegeven en maakt op de juiste manier verbinding als de gegevensbron en de Analytic-grafiek of het Analytic-raster zich in dezelfde werkruimte bevinden.

Dashboard Designer: heel soms bevat een niet-Engelstalige (vertaalde) versie van Dashboard Designer Engelse tekst in bepaalde dialoogvensters.

Workaround: To resolve this issue, restart Dashboard Designer.

Dashboard Designer: hoe voorkom ik dat er geneste (extra) schuifbalken worden weergegeven in mijn gepubliceerde rapport?

This issue occurs in reports that connect to data in an Excel Services report. When you attempt to open this type of report in SharePoint, a dialog displays the following: Do you want to enable queries to external data in this workbook? When you click Yes to close the dialog, the report displays with an extra set of scrollbars.

Tijdelijke oplossingen: er zijn drie tijdelijke oplossingen voor dit probleem. De eerste oplossing is bruikbaar voor elk moment waarop de extra schuifbalken worden weergegeven.

  1. Pas in Dashboard Designer de eigenschap Auto-size toe op het rapport.

  2. Configure Excel Services to prevent the dialog from displaying when the report is opened.

  3. Build your dashboard in SharePoint Designer rather than in the Dashboard Designer, and use the native Excel Services Web Part rather than the PPS Excel Services Web Part.

Dashboard Designer: er wordt een foutbericht weergegeven wanneer gebruikers van Dashboard Designer proberen om dimensieleden op de achtergrond van een analytisch diagram of raster te plaatsen.

Het foutbericht geeft aan dat er een fout is opgetreden bij het uitvoeren van de gegevensbronquery.

Het foutbericht kan optreden wanneer een gebruiker van Dashboard Designer een dimensie op de achtergrond van een analytisch diagram of raster plaatst, de optie Alles selecteert in de lijst met leden en vervolgens een of meer afzonderlijke leden selecteert.

Naar boven

SharePoint Designer 2010

Er zijn op dit moment geen problemen.

Naar boven

Basisversie van SharePoint Server 2010

Synchronisatie van gebruikersprofielen

Profielen kunnen niet worden gesynchroniseerd in zelfstandige installaties.

Gebruik Volledige installatie en voer de wizard Farmconfiguratie uit voor een soortgelijke ervaring.

Er kan geen verbinding met een AD- of LDAP-bron worden gemaakt.

Als u een incrementele synchronisatie met AD wilt uitvoeren, moet het account dat verbinding maakt (dit hebt u opgegeven tijdens het maken van de verbinding) in AD over DirSync-bevoegdheden beschikken. Met deze bevoegdheden mag niet worden geschreven naar AD, maar kan het account verzoeken om incrementele query's of deze uitvoeren, zodat de incrementele synchronisatie efficiënt kan worden uitgevoerd. Soortgelijke machtigingen (voor het lezen van het wijzigingenlogboek) zijn vereist voor ondersteunde LDAP-servers, wanneer u een wijzigingenlogboek kunt instellen voor de LDAP-server.

Nieuwe organisatie-eenheden die zijn toegevoegd aan AD/LDAP, worden automatisch zonder kennisgeving geselecteerd.

Een SharePoint-beheerder heeft een verbinding gemaakt, waarbij bijvoorbeeld Organisatie-eenheid1 en Organisatie-eenheid2 zijn geselecteerd. Aanvullende organisatie-eenheden worden toegevoegd in AD/LDAP door de AD/LDAP-beheerder, bijvoorbeeld vanwege een bepaald scenario voor een herconfiguratie of overname. De SharePoint-beheerder bewerkt de verbinding om een of andere reden, vouwt de containerstructuur uit en klikt op OK. De nieuwe organisatie-eenheden die zijn toegevoegd aan AD/LDAP, worden automatisch zonder kennisgeving geselecteerd. Met verdere importbewerkingen worden gebruikers/groepen toegevoegd aan deze organisatie-eenheden.

Controleer de geselecteerde organisatie-eenheden altijd goed. Als gebruikers/groepen worden toegevoegd die niet hadden moeten worden geïmporteerd, schakelt u de organisatie-eenheid uit of verwijdert u deze via de UX voor het centrale beheer van beheerdersprofielen.

Het instellen van een verbinding kan ingewikkeld zijn of lang duren.

Voorbeeld:

Een AD-verbinding instellen

  1. Ga naar de UPA-beheerpagina: Site voor centraal beheer -> Toepassingsbeheer -> Servicetoepassingen beheren, selecteer UPA en klik op Beheren.

  2. Klik op de UPA-beheerpagina op Synchronisatieverbindingen configureren om naar de pagina voor verbindingsbeheer te gaan.

  3. Klik op Een nieuwe verbinding maken om naar de pagina voor het bewerken van verbindingen te gaan.

    1. Selecteer Verbindingstype Active Directory als u profielen wilt importeren vanuit AD.

    2. Vul de verbindingsgegevens in.

    3. Klik op OK. (Dit kan even duren.)

    4. Als de verbinding is gemaakt, wordt de pagina omgeleid naar de pagina voor verbindingsbeheer. Hier wordt de verbinding weergegeven.

  4. U kunt desgewenst een uitsluitingsfilter voor de verbinding instellen zodat bepaalde gebruikers/groepen niet worden geïmporteerd in MOSS.

    1. Selecteer op de pagina voor verbindingsbeheer de verbinding waarvoor u een uitsluitingsfilter wilt instellen. Klik met de rechtermuisknop op Verbindingsfilter bewerken.

Alle eigenschaptoewijzingen zijn sterk getypeerd.

Een AD-eigenschap van het type tekenreeks kan bijvoorbeeld niet worden toegewezen aan een kenmerk van het type int in de profielopslag.

Verwijder de eigenschap en maak deze opnieuw met dezelfde naam en het juiste type. Hierdoor zullen gegevens voor het upgradescenario verloren gaan, maar u kunt deze herstellen door de eigenschap opnieuw toe te wijzen aan de bron (bijvoorbeeld AD) en een synchronisatie uit te voeren. Aangezien exportbewerkingen in eerdere versies niet waren toegestaan, zijn gegevens die worden toegewezen normaal gesproken beschikbaar in deze externe opslag.

Exporteer de versleutelingssleutel die nodig is voor scenario's met verplaatsen of reservekopie maken en terugzetten. Bewaar deze sleutel op een veilige plek.

Zonder deze sleutels is het noodzakelijk om de synchronisatie volledig opnieuw in te richten en uit te voeren. STERK AANBEVOLEN: exporteer de versleutelingssleutel voor synchronisatie en bewaar deze op een veilige plaats. U kunt de sleutel niet alleen op een veilige plaats bewaren, maar ook importeren op alle computers in de farm. Zodoende worden gegevens toegevoegd aan het register van deze computers, mocht u ooit de service naar deze computer willen verplaatsen.

Als u de profielsynchronisatie op dezelfde computer opnieuw start, kunt u de stap voor de versleutelingssleutel voor export-/importbewerkingen overslaan.

  1. Sla de FIM-versleutelingssleutel op de computer op waarop de synchronisatieservice voor profielen wordt uitgevoerd, ga naar de map:
    %program files%\Microsoft Office Servers\14.0\Synchronization Service\bin en voer de volgende opdracht uit om de versleutelingssleutel te exporteren naar een bestand:

    • miiskmu.exe /e [bestandsnaam] /u:[domein\gebruiker] [wachtwoord] waarbij

      • /e - Bestand waarin de geëxporteerde sleutels worden opgeslagen.

      • /u - Het serviceaccount met de sleutels.

  2. Stop de synchronisatieservice voor profielen op de computer waarop de service wordt uitgevoerd: selecteer in Site voor centraal beheer -> Services op de server beheren de computer en klik om de synchronisatieservice voor profielen te stoppen. Wacht totdat deze service is gestopt.

  3. Start de synchronisatieservice voor profielen. Selecteer op dezelfde pagina voor servicebeheer een andere computer en klik om de synchronisatieservice voor profielen te starten.

    Opmerking:  de synchronisatieservice voor profielen houdt de status Wordt gestart. Als u het Windows-gebeurtenislogboek raadpleegt, wordt mogelijk in een foutbericht van de FIM-synchronisatieservice aangegeven dat een bepaalde versleutelingssleutel ontbreekt.

  4. Importeer de FIM-versleutelingssleutel. Meld u aan op de computer waarop u de synchronisatieservice voor profielen wilt uitvoeren, ga naar de map %program files%\Microsoft Office Servers\14.0\Synchronization Service\bin en voer de volgende opdracht uit vanuit het account dat is opgegeven in de versleutelingssleutel voor de exportbewerkingom de versleutelingssleutel te importeren:

    • miiskmu.exe /I [bestandsnaam]
      {0E19E162-827E-4077-82D4-E6ABD531636E}

waarbij

  • /i - Bestandsnaam die is geëxporteerd in stap 1.

  • Voer desgewenst de volgende opdracht uit als u wilt controleren of de versleutelingssleutel juist is geïmporteerd:

    • miiskmu.exe /c
      {0E19E162-827E-4077-82D4-E6ABD531636E}

  • Wacht totdat de synchronisatieservice voor profielen is gestart op de nieuwe computer.

De synchronisatieservice voor gebruikersprofielen houdt zich niet aan de failover-parameters.

De synchronisatieservice voor gebruikersprofielen maakt gebruik van de synchronisatieonderdelen van Forefront Identity Manager (FIM, vroeger bekend als MIIS). In deze onderdelen kunnen versleutelings- en failover-mechanismen worden gebruikt zoals in het onderstaande artikel is beschreven.

Als er een situatie optreedt waarin de failover-server niet is voorbereid op de synchronisatieservice, kan een nieuwe database worden gekoppeld aan de service en wordt de synchronisatieservice opnieuw gesynchroniseerd met de bron. Aangezien de database van de synchronisatieservice wordt gebruikt als fasering voor gegevens waarvan de bron zich in SharePoint of een andere Active Directory-bron bevindt, mogen tijdens het proces voor hersynchronisatie - hoewel dit tijdrovend is - geen gegevens verloren gaan.

http://technet.microsoft.com/nl-nl/library/cc739274(WS.10).aspx 

MIISactivate: hulpprogramma voor de activering van servers

Hiermee activeert u een stand-byserver waarop Microsoft® Forefront Identity Manager (FIM) 2010 wordt uitgevoerd en als primaire server met FIM wordt ingesteld.

Syntaxis

miisactivate [bestandsnaam] [gebruikersnaam {wachtwoord | *}] [/q]

Parameters

bestandsnaam

Hiermee geeft u de naam van het bestand met de versleutelingssleutel op, inclusief het pad.

gebruikersnaam

Hiermee geeft u de referenties van de Forefront Identity Manager-service op.

MIISactivate ondersteunt de volgende indelingen:

• [Domein\]gebruikersnaam

• [Domein.com\]gebruikersnaam

• Gebruikersnaam@Domein.com

wachtwoord

Het wachtwoord voor de Forefront Identity Manager-service. Geef * op als u naar het wachtwoord wilt worden gevraagd.

/q

Wordt uitgevoerd in de stille modus, zonder dialoogvensters.

/?

Hiermee geeft u Help-informatie weer op de opdrachtprompt.

Opmerkingen

  • Als wachtwoordsynchronisatie is ingeschakeld, moet u pcnscfg.exe (het hulpprogramma waarmee meldingen bij wachtwoordwijzigingen worden geconfigureerd) uitvoeren voordat u de stand-byserver activeert. De service voor meldingen bij wachtwoordwijzigingen moet worden omgeleid naar de stand-bymodus voordat de wachtwoordsynchronisatie kan worden hervat.

  • MIISactivate.exe bevindt zich in de map InstallationDirectory\Bin.

  • Als u MIISactivate.exe wilt uitvoeren, moet u over lokale beheerdersbevoegdheden beschikken.

  • Als het foutbericht Uitzondering: 0x80230443 wordt weergegeven wanneer u MIISactivate.exe uitvoert, betekent dit dat een schema niet overeenkomt. Dit kan gebeuren wanneer een servicepack is toegepast op de primaire server, maar niet op de warme stand-byserver. U kunt het beste de warme stand-byserver bijwerken met het servicepack waarmee ook de primaire server is bijgewerkt, en vervolgens MIISactivate.exe opnieuw uitvoeren.

  • Als u een stand-byserver activeert en Synchronization Service Manager niet kunt openen, kan dit komen doordat de FIMSyncAdmin-groepen zijn gemaakt als lokale groepen in plaats van domeingroepen. U moet de nieuwe domeingroep maken, de FIM-installatie opnieuw uitvoeren in de herstelmodus en de nieuwe domeingroep opgeven.

Voorbeeld

Typ het volgende als u een back-upserver met FIM wilt activeren en als primaire FIM-server wilt instellen:

miisactivate miis_keys.bin FIMAdmin *

Als er een verwijzingskenmerk (bijvoorbeeld de manager van een werknemer) in domeinen bestaat en verschillende verbindingen zijn gemaakt voor het werknemer- en managerdomein, wordt het verwijzingskenmerk niet omgezet.

Dit geldt voor elk verwijzingskenmerk (bijvoorbeeld Persoon - collega, manager of een aangepast persoonskenmerk).

Ongeacht dit probleem wordt u ten zeerste aangeraden om één verbinding per Active Directory-forest te maken. Zodoende kunnen alle verwijzingen binnen hetzelfde forest worden omgezet met dezelfde synchronisatieservice.

Een synchronisatie wordt gestopt door een groot aantal fouten.

Bij bepaalde synchronisatieactiviteiten treden tijdelijke fouten op die uiteindelijk worden opgelost zodra de synchronisatie volledig is uitgevoerd. In omgevingen waarin zeer veel objecten worden verwerkt, kan het aantal fouten oplopen tot boven de standaardfoutlimiet van 5000, waardoor het synchronisatieproces wordt beëindigd voordat alle objecten zijn verwerkt.

Verhoog de foutlimiet tot een waarde die hoog genoeg is zodat tijdens de synchronisatie alle objecten kunnen worden verwerkt voordat de foutlimiet wordt bereikt. Als het synchronisatieproces kan worden voltooid, worden de tijdelijke fouten uiteindelijk opgelost. U configureert de foutlimiet door het item ErrorLimit (REG_DWORD) toe te voegen aan de volgende subsleutel van het register:

HKEY_LOCAL_MACHINE\System\

CurrentControlSet\Services\miisserver\

Parameters

De waarde is een geheel getal tussen 0 en 100.000.

  • Waarde ingesteld op 0 = foutlimiet ingesteld op 100.000

  • Waarde tussen 1 en 99.999 = foutlimiet ingesteld op waarde

  • Waarde ingesteld op 100.000 = foutlimiet ingesteld op 100.000

  • Waarde ingesteld op meer dan 100.000 = foutlimiet ingesteld op 100.000

  • Geen sleutel aanwezig = standaardfoutlimiet ingesteld op 5.000

Opmerking:

Nadat u deze registersleutel hebt gewijzigd, moet u de service FIMSynchronizationService opnieuw starten.

Er is geen interface om het synchronisatieproces voor gebruikersprofielen te onderbreken of hervatten.

De synchronisatie voor gebruikersprofielen is een complexe toestandsmachine. Als het proces wordt onderbroken/hervat, kan dit een negatief effect hebben en ertoe leiden dat het synchronisatieproces volledig opnieuw wordt gestart. Als de beheerder de einddoelstelling voor onderbreken/hervatten wil realiseren, hetgeen normaal gesproken nodig is om het brongebruik door de service tijdens piekuren te beperken, kan hij de volgende registersleutels instellen op de computer waarop de synchronisatieservice voor gebruikersprofielen wordt uitgevoerd.

  • HKLM\System\CurrentControlSet\Services

  • \FIMSynchronizationService

  • \Performance\MaxObjectImportRate (DWORD)

Met deze sleutel wordt het aantal objecten per seconde aangegeven dat moet dienen als bovengrens van een importprofiel dat op de server wordt uitgevoerd. Tijdens een importbewerking moet het aantal objecten per seconde dat wordt gemeten met de prestatieteller Gelezen objecten/sec. onder de waarde blijven die in MaxObjectImportRate is ingesteld. Het domein voor deze waarde is 1 tot Max(Int32). Als de waarde 0 is of de sleutel ontbreekt, wordt dit geïnterpreteerd alsof u geen maximumwaarde hebt gedefinieerd.

  • HKLM\System\CurrentControlSet\Services

  • \FIMSynchronizationService\ Performance

  • \MaxObjectSynchronizationRate (DWORD)

Met deze sleutel wordt het aantal objecten per seconde aangegeven dat moet dienen als bovengrens van een synchronisatieprofiel dat op de server wordt uitgevoerd. Tijdens een synchronisatie moet het aantal objecten per seconde dat wordt gemeten met de prestatieteller Gesynchroniseerde objecten/sec. onder de waarde blijven die in MaxObjectSynchronizationRate is ingesteld. Het domein voor deze waarde is 1 tot Max(Int32). Als de waarde 0 is of de sleutel ontbreekt, wordt dit geïnterpreteerd alsof u geen maximumwaarde hebt gedefinieerd.

  • HKLM\System\CurrentControlSet\Services

  • \FIMSynchronizationService\Performance

  • \MaxObjectExportRate (DWORD):

Met deze sleutel wordt het aantal objecten per seconde aangegeven dat moet dienen als bovengrens van een exportprofiel dat op de server wordt uitgevoerd. Tijdens een exportbewerking moet het aantal objecten per seconde dat wordt gemeten met de prestatieteller Geëxporteerde objecten/sec. onder de waarde blijven die in MaxObjectExportedRate is ingesteld. Het domein voor deze waarde is 1 tot Max(Int32). Als de waarde 0 is of de sleutel ontbreekt, wordt dit geïnterpreteerd alsof u geen maximumwaarde hebt gedefinieerd.

Met een incrementele synchronisatie worden geen waarden opgehaald voor eigenschappen die zijn toegewezen nadat de laatste volledige synchronisatie is uitgevoerd.

Voor een configuratiewijziging, zoals een nieuwe toewijzing van eigenschappen, worden geen gegevens voor bestaande records overgedragen, tenzij een volledige synchronisatie wordt uitgevoerd. Voer een volledige synchronisatie uit.

Implementatie

Een andere taalversie van OOB-werkstromen is zelfs niet beschikbaar nadat de LPK op de subsite is geïnstalleerd.

(U hebt een Engelse versie van MOSS 2010 geïnstalleerd en een siteverzameling gemaakt. Vervolgens hebt u de Japanse LPK geïnstalleerd om Japanse OOB-werkstromen te gebruiken, maar deze zijn niet beschikbaar in de nieuw gemaakte siteverzameling.)

[Detail]Als de hoofdsite van de siteverzameling is gemaakt voordat de LPK is geïnstalleerd en de subsite met de andere taal is gemaakt nadat de LPK is geïnstalleerd, is de OOB-werkstroomfunctie van de LPK-taal niet langer beschikbaar op de subsite (en wordt deze niet weergegeven in de lijst met beschikbare werkstromen).

Als u bijvoorbeeld de Engelse versie van SharePoint Server installeert, een Engelse siteverzameling maakt en vervolgens de Japanse LPK installeert en een Japanse subsite maakt, kunt u de Japanse OOB-werkstroom pas weergeven nadat u op de pagina Instellingen van siteverzameling de functie Werkstromen opnieuw hebt geactiveerd.Als u echter een Engelse siteverzameling hebt gemaakt nadat de Japanse LPK is geïnstalleerd, is de Japanse OOB-werkstroom beschikbaar.

Technisch gezien worden werkstroombestanden verplaatst naar de map under _catalog zodra de functie wordt geactiveerd. Als u dus de nieuw geïnstalleerde OOB-werkstroomfunctie wilt gebruiken, moet u de functie Werkstromen op de pagina Site-instellingen | Instellingen van siteverzameling uit- en inschakelen.

Gebruikersprofielservice

Algemene tips voor afstemming van SQL-prestaties

  • Schijfconfiguratie, RAID-matrix met meerdere aandrijfassen - besturingssysteem

  • Database en databaselogbestanden op verschillende volumes

  • Gigabitnetwerk tussen services en SQL-box

  • Benoemde piper inschakelen als services worden uitgevoerd in dezelfde box als SQL

  • CPU's markeren voor I/O-affiniteit

  • SQL-prioriteit stimuleren

OOB-werkstroom

De einddatum in de e-mailmelding bij het starten van werkstromen wordt weergegeven als Einddatum 1-1-0001 12:00:00 wanneer OOB-werkstromen worden gestart zonder dat er een einddatum is ingesteld.

Dit is verwarrend en hinderlijk omdat u geen einddatum wilt weergeven als u deze niet hebt ingesteld bij het starten van werkstromen. Een werkstroomtaak heeft ook hetzelfde probleem. De melding per e-mail van een nieuwe taak heeft ook de einddatum 1-1-0001 als er geen einddatum is opgegeven bij het starten van werkstromen.

Door een late wijziging in SPD (nr. 3708517) worden condities met de Als-instructie altijd beoordeeld als ONWAAR, waardoor altijd onjuiste einddatums worden weergegeven.

Er zijn verschillende manieren om dit probleem via SPD op te lossen: (we nemen de OOB-werkstroom Goedkeuring - SharePoint 2010 als voorbeeld)

  1. Regelbestand handmatig wijzigen

    • Open SPD en ga links in het navigatiedeelvenster naar Siteobjecten > Alle bestanden > _catalogs > wfpub > Goedkeuring - SharePoint 2010 (bij een gekopieerde werkstroom Siteobjecten > Alle bestanden > Werkstromen > {naam van werkstroom}.

    • Open ReviewApproval_{taal-id}.xoml.rules (voor een Nederlandse build is de taal-id 1048) in Kladblok. (Open bij een gekopieerde werkstroom het bestand {naam van werkstroom}.xoml.rules).

    • Zoek naar 1900-01-01, vervang deze datum door 0001-01-01 en sla de waarde op.

    • Publiceer de werkstroom opnieuw.

  1. De Als-instructie wijzigen

    • Open SPD en laad de werkstroom Goedkeuring - SharePoint 2010 zodat u deze kunt bewerken.

    • Klik op Goedkeuringsproces in de werkstroomontwerper.

    • Klik op Het gedrag van het algehele taakproces wijzigen.

    • Zoek naar de Als-instructie die wordt gebruikt voor de eerste vergelijking van de einddatum op de plaat Wanneer het taakproces wordt gestart (Als-parameter: einddatum voor alle taken is gelijk aan 31-12-1899 16:00:00)

    • Maak een nieuw tekenreekstype zoals InitialDueDateString en wijs de parameter Einddatum voor alle taken toe aan InitialDueDateString (stel dus de variabele InitialDueDateString in op de parameter Einddatum voor alle taken) vóór de Als-instructie.

    • Wijzig de Als-instructie in Als Variabele: InitialDueDateString is gelijk aan 1-1-0001 12:00:00

    • Nu wordt Geen weergegeven voor de einddatum wanneer u geen einddatum hebt ingesteld bij het starten van de werkstroom. Een soortgelijke logica kan worden toegepast op andere gebieden van de werkstroomlogica.

U kunt dit probleem zo nodig ook op een andere manier oplossen door een andere actie/voorwaarde of variabelen te gebruiken.

Naar boven

Basisversie van SharePoint Server 2010 (taalspecifiek)

Goedkeuring van Oost-Aziatische groep

Wanneer de Oost-Aziatische versie van MOSS 2007 wordt bijgewerkt naar MOSS 2010, wordt het linkernavigatievenster van de aangepaste versie van PersonalFolder.aspx niet juist weergegeven.

De beheerder kan dit probleem oplossen door de pagina EawfDocLib.master bij te werken vanuit SharePoint Designer.

Naar boven

SharePoint Workspace

Webservices van SharePoint Workspace 2010

Wanneer u een nieuwe werkruimte met gedeelde mappen maakt in Windows Vista, wordt Windows Explorer gestart, maar de taakbalk Mappen delen wordt niet weergegeven.

Dit wekt verwarring over de manier waarop u de map moet delen met SharePoint Workspace. Het probleem zou opgelost moeten zijn nadat u de computer opnieuw hebt opgestart.

Er is sprake van conflicten tussen lijstitems.

Wanneer een conflict wordt veroorzaakt omdat een lijstitem is toegevoegd aan een SharePoint-site (server) terwijl hetzelfde lijstitem wordt bewerkt in de SharePoint-werkruimte (client), waarbij in beide gevallen een veld uniek moet zijn maar uiteindelijk hetzelfde blijkt te zijn, worden in SharePoint Workspace drie opties weergegeven. De drie opties zijn:

  1. Het SharePoint Workspace-item herstellen

  2. De serverkopie behouden

  3. Beide behouden

In dit scenario heeft het geen zin om beide te behouden omdat hiermee het conflict niet wordt opgelost.

Notities: 

  • In het tegenovergestelde scenario, waarbij het item wordt gemaakt in SharePoint Workspace (client) en bewerkt op de SharePoint-site (server), worden twee opties in SharePoint Workspace weergegeven. Het betreft deze opties:

  • Omdat het probleem niet echt wordt opgelost als u beide kopieën bewaart, kunt u het beste het item in SharePoint Workspace wijzigen of de serverkopie behouden. Hiermee wordt in wezen het SharePoint Workspace-item verwijderd. Met beide opties is het conflict normaal gesproken opgelost.

  1. Het item bewerken/herstellen

  2. Het item verwijderen (waarbij de serverkopie behouden blijft)

Wijzigingen in registersleutel van webservices en beperkingen van webservices

Office SharePoint Workspace 2010 biedt webservices die compatibel zijn met de beschikbare webservices in Groove 2007. Er zijn drie belangrijke wijzigingen: De locatie van de sleutels in het register is gewijzigd.

LocalRequestKey en LocalResponseKey zijn versleuteld via DPAPI CurrentUser-versleuteling.

De webservices hebben geen toegang tot hulpprogrammagegevens in 2010-werkruimten. De toegang tot compatibele Groove 2007-werkruimten is niet veranderd ten opzichte van de beschikbare toegang in Groove 2007 SP1.

Wijzigingen in registersleutel

In SharePoint Workspace 2010 bevinden alle sleutels van webservices zich op de volgende locatie in het register:

HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Office\Groove\WebServices

Deze sleutels zijn:

  • GrooveHTTPDesiredPort

  • GrooveHTTPPort

  • GrooveLocalHTTPPort

  • GrooveLocalHTTPServerPID

  • LocalRequestKey

  • LocalResponseKey

De betekenis van deze sleutels is niet gewijzigd ten opzichte van Groove 2007. Zie de naslaginformatie over Groove Web Services voor ontwikkelaars als u meer hierover wilt weten.

Als u de tekenreekswaarden voor LocalRequestKey en LocalResponseKey wilt ophalen, dient u de methode Unprotect aan te roepen, bijvoorbeeld:

Microsoft.Win32.RegistryKey grooveWebServicesRegKey =

  Microsoft.Win32.Registry.CurrentUser.OpenSubKey(

  "Software\\Microsoft\\Office\\Groove\\WebServices");

if (grooveWebServicesRegKey != null)

{

  keyValue = grooveWebServicesRegKey.
GetValue("LocalRequestKey");

  if (keyValue != null)

{

    byte[] unprotectedData = ProtectedData.
Unprotect((byte[]) keyValue, null, DataProtectionScope.CurrentUser);

    string localRequestKey =
Encoding.Unicode.GetString(unprotectedData);

    return localRequestKey;

}

}

Als u de methode Unprotect wilt aanroepen, moet u een verwijzing naar System.Security opnemen in het C#-project en de volgende regel toevoegen aan het C#-bestand:

using System.Security.Cryptography;

De Unicode-methode GetString bevindt zich in de bibliotheek System.Text.

Toegang van webservices tot Groove 2010-werkruimten

U kunt alle bewerkingen van GrooveSpaces gebruiken met een 2010-werkruimte.

Hoewel met de bewerking GrooveSpaces.Read een URL wordt opgehaald voor de service GrooveTools, kunt u geen bewerkingen op een 2010-werkruimte uitvoeren met de service GrooveTools, GrooveCalendar, GrooveForms2 of GrooveFilesBase64. 2010-werkruimten hebben momenteel nummer 19 als primaire Space.Version-versie, maar dit kan nog worden gewijzigd in de ontwikkelingsfase.

Opmerking:  Als u GrooveTools.ReadAvailableTools aanroept in een 2010-werkruimte, wordt er een lege lijst geretourneerd, aangezien er geen tools zijn die u kunt toevoegen. Met de bewerking GrooveSpaces.Create wordt een werkruimte gemaakt die compatibel is met Groove 2007.

Toegang van webservices tot SharePoint-werkruimten

Als u SharePoint-werkruimten wilt lezen met GrooveSpaces.Read, moet u het volgende SpaceType opgeven:

  “urn:groove.net:Groove.Core.Tools.System.TelespaceTypes.SiteClient”.

Met webservices kunt u alleen de volgende bewerkingen uitvoeren op een SharePoint-werkruimte:

  • GrooveSpaces.ReadSpace

  • GrooveSpaces.Delete

  • GrooveSpaces.UpdateUnreadMarks

  • GrooveLocal.View

Alle andere bewerkingen zijn ongeldig. De toepassing mag geen andere bewerking aanroepen waarvoor een SharePoint-werkruimte wordt gebruikt. SharePoint-werkruimten hebben momenteel nummer 18 als primaire Space.Version-versie, maar dit kan nog veranderen tijdens de ontwikkelingsfase.

Toegang van webservices tot gedeelde mappen

De toegang tot gedeelde mappen is ongewijzigd ten opzichte van de beschikbare toegang tot Groove-werkruimten met gedeelde bestanden in Groove 2007 SP1. Gedeelde mappen hebben momenteel nummer 18 als primaire Space.Version-versie, maar dit kan nog worden gewijzigd in de ontwikkelingsfase.

Overige opmerkingen over webservices

Met GrooveProperties.Read wordt nummer 14 als primaire versie geretourneerd voor SharePoint Workspace 2010.

Een hotfix voor Groove 2007 biedt aanvullende bewerkingen voor webservices, zoals Groove Web Services versie 2.1. Deze aanvullende bewerkingen zijn niet beschikbaar in SharePoint Workspace 2010. Een Software Development Kit is beschikbaar voor deze bètaversie. De kit bestaat uit documentatie, voorbeelden en WSDL-definitiebestanden voor Groove Web Services.

Integratie van Office Communicator

Als Office Communicator is geïnstalleerd en wordt uitgevoerd terwijl u niet bent aangemeld, gebeurt er niets wanneer u op een contactpersoon in SharePoint Workspace dubbelklikt.

Het verwachte resultaat is dat er een Office Communicator-chatvenster wordt geopend, zoals gebeurt wanneer u bent aangemeld. Hieronder wordt het verwachte gedrag beschreven:

Wanneer Office Communicator is geïnstalleerd en wordt uitgevoerd terwijl u bent aangemeld, wordt een Office Communicator-chatvenster geopend wanneer u op een contactpersoon in SharePoint Workspace dubbelklikt. Wanneer Office Communicator is geïnstalleerd en niet wordt uitgevoerd, wordt er een SharePoint Workspace-bericht geopend wanneer u op een contactpersoon in SharePoint Workspace dubbelklikt.

Als u dit probleem wilt oplossen zodat er geen venster meer wordt geopend wanneer u op een contactpersoon in SharePoint Workspace dubbelklikt, meldt u zich aan bij Office Communicator om een Office Communicator-chatbericht te openen of sluit u Office Communicator om een SharePoint Workspace-bericht te openen.

Als Office Communicator is geïnstalleerd en wordt uitgevoerd terwijl u niet bent aangemeld, gebeurt er niets wanneer u op een contactpersoon in SharePoint Workspace dubbelklikt.

Het verwachte resultaat is dat er een Office Communicator-chatvenster wordt geopend, zoals gebeurt wanneer u bent aangemeld. Hieronder wordt het verwachte gedrag beschreven:

  • Wanneer Office Communicator is geïnstalleerd en wordt uitgevoerd terwijl u bent aangemeld, wordt een Office Communicator-chatvenster geopend wanneer u op een contactpersoon in SharePoint Workspace dubbelklikt.

  • Wanneer Office Communicator is geïnstalleerd en niet wordt uitgevoerd, wordt er een SharePoint Workspace-bericht geopend wanneer u op een contactpersoon in SharePoint Workspace dubbelklikt.

Als u dit probleem wilt oplossen zodat er geen venster meer wordt geopend wanneer u op een contactpersoon in SharePoint Workspace dubbelklikt, meldt u zich aan bij Office Communicator om een Office Communicator-chatbericht te openen of sluit u Office Communicator om een SharePoint Workspace-bericht te openen.

Bestaande, aangepaste hulpprogramma's van Groove 2007

Ontwerp van een aangepast hulpmiddel Formulieren kan niet worden bijgewerkt in SharePoint Workspace 2010

Aangepaste hulpmiddelen die zijn gemaakt met het hulpmiddel Formulieren of InfoPath-formulieren van Groove 2007, kunnen in Microsoft SharePoint Workspace 2010 worden gebruikt. De toegang tot de ontwerpfunctie van deze hulpmiddelen 's is echter uitgeschakeld in deze softwarerelease. Als u het ontwerp in een van deze hulpprogramma's wilt bijwerken, moeten deze updates worden uitgevoerd door een werkruimtelid dat nog altijd Groove 2007 uitvoert. Bovendien moet dit lid toegang hebben tot de ontwerpfunctie, die normaal gesproken beschikbaar is voor managers. Zodra het Groove 2007-lid een bijgewerkt ontwerp publiceert, kunnen alle werkruimteleden het bijgewerkte ontwerp gebruiken.

Lijsten synchroniseren

Een bibliotheek/lijst wordt niet gesynchroniseerd nadat u een opzoekkolom hebt toegevoegd.

De breedtebeperking van SharePoint-servers is standaard ingesteld op maximaal acht opzoekkolommen. Documentbibliotheken hebben standaard al vier of vijf opzoekkolommen, dus als u te veel opzoekkolommen toevoegt aan een bibliotheek, mislukt de synchronisatie.

Hiervoor is geen oplossing beschikbaar.

Wanneer u een site offline neemt en niet over de machtigingen beschikt om nieuwe items toe te voegen of bestaande items te wijzigen, wordt een foutbericht weergegeven. Hierin wordt echter niet beschreven hoe u het probleem kunt oplossen.

Het scenario is als volgt:

  1. De gebruiker selecteert Synchroniseren met SharePoint-werkruimte op de SharePoint-site waarvoor de gebruiker niet over machtigingen voor toevoegen/wijzigen beschikt.

  2. Nadat de site offline is, maakt u een nieuw lijstitem in een van de lijsten.

  3. Wanneer de gebruiker de synchronisatie uitvoert, wordt op het lint het tabblad Oplossen weergegeven.

  4. Wanneer u de fout probeert op te lossen, wordt in een dialoogvenster aangegeven dat er een probleem met de machtigingen is opgetreden, met een optie om de fout te corrigeren.

  5. Als u de optie Fout corrigeren selecteert, wordt het item in de bewerkmodus geopend. Als u het item vervolgens opslaat en sluit, is het probleem niet opgelost.

U beschikt over twee opties:

  1. U kunt proberen de synchronisatie opnieuw uit te voeren met de juiste machtigingen.

  2. U kunt het item verwijderen dat u hebt toegevoegd aan de werkruimte.

Wanneer u een site offline neemt voor een server waarvan referenties in de cache zijn opgeslagen met een volledige domeinnaam (FQDN) terwijl u de site synchroniseert met de onvolledige domeinnaam, worden bijlagen van items mogelijk niet gesynchroniseerd.

Dit is een bekend probleem in Windows. Als u het probleem wilt oplossen, moet de onvolledige domeinnaam voor de server ook worden opgeslagen in de cache.

Wanneer u een kant-en-klare lijst met projecttaken synchroniseert, kunt u in SharePoint Workspace geen nieuwe samenvattingstaak maken.

Maak de samenvattingstaak op de SharePoint-site.

OneNote-bestanden synchroniseren

In SharePoint Workspace kunnen geen OneNote-bestanden worden gesynchroniseerd.

Als een gebruiker probeert een OneNote-bestand te starten, wordt gevraagd om dit vanaf de SharePoint-site te doen.

Geen tijdelijke oplossing. In OneNote 2010 wordt de synchronisatie volledig verwerkt binnen de toepassing. SPW is niet nodig om OneNote 2010-notitieblokken up-to-date te houden.

IRM-documentbibliotheken synchroniseren

SharePoint-werkruimten worden niet gesynchroniseerd met IRM-documentbibliotheken.

Vanuit de SPW-gebruikersinterface treedt een fout op in de IRM-documentbibliotheek.

Hiervoor is geen oplossing beschikbaar.

SharePoint-werkruimten maken

Als u een SharePoint-werkruimte verwijdert en kort daarna probeert om deze opnieuw te maken vanaf de SharePoint-site in een webbrowser, wordt mogelijk een foutbericht weergegeven:

Het foutbericht kan de volgende informatie bevatten:

U kunt niet naar een verwijderde werkruimte navigeren. Als u een werkruimte die u net hebt verwijderd, opnieuw wilt maken, moet u het later opnieuw proberen.

Soms moet u gedurende onbepaalde tijd wachten voordat u probeert de werkruimte opnieuw te maken met het menu Actie voor de SharePoint-site in een webbrowser. Als tijdelijke oplossing kan de gebruiker de SharePoint-werkruimte maken vanaf de startbalk. Open het venster SharePoint-werkruimte maken en geef in het vak Locatie de URL van de SharePoint-site op.

Naar boven

Microsoft Visio Services

Er zijn op dit moment geen problemen.

Naar boven

Uw Office-vaardigheden uitbreiden
Training verkennen
Als eerste nieuwe functies krijgen
Deelnemen aan Office Insiders

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback.

Hartelijk dank voor uw feedback! Het lijkt ons een goed idee om u in contact te brengen met een van onze Office-ondersteuningsagents.

×