IS (IS-functies)

In dit artikel worden de acht functies beschreven die worden gebruikt om het type van een waarde of een kolomverwijzing te toetsen. Met al deze zogenaamde IS-functies wordt het type van de waarde gecontroleerd. De retourwaarde is WAAR of ONWAAR, afhankelijk van het resultaat. Zo geeft de functie ISLEEG bijvoorbeeld de logische waarde WAAR als resultaat als de waarde een lege kolomverwijzing is; als dat niet het geval is, is het resultaat ONWAAR.

Syntaxis

ISLEEG(waarde)

ISFOUT2(waarde)

ISFOUT(waarde)

ISLOGISCH(waarde)

ISNB(waarde)

ISGEENTEKST(waarde)

ISGETAL(waarde)

ISTEKST(waarde)

Waarde     is de waarde die u wilt testen. Waarde kan een lege waarde (lege cel ), foutwaarde, logische waarde, tekstwaarde, numerieke waarde of verwijzingswaarde zijn, of een naam die verwijst naar een van deze waarden.

Functie

Resulteert in WAAR als

ISLEEG

waarde verwijst naar een lege cel.

ISFOUT2

waarde verwijst naar een foutwaarde met uitzondering van #N/A.

ISFOUT

waarde verwijst naar een foutwaarde (#N/B, #WAARDE!, #VERW!, #DEEL/0!, #GETAL!, #NAAM?, of #LEEG!).

ISLOGISCH

waarde verwijst naar een logische waarde

ISNB

waarde verwijst naar de #N/B (waarde is niet beschikbaar) foutwaarde

ISGEENTEKST

Waarde verwijst naar een element dat geen tekst is. (Let erop dat deze functie ook WAAR als resultaat geeft als waarde naar een lege cel verwijst.)

ISGETAL

waarde verwijst naar een getal

ISTEKST

waarde verwijst naar tekst.

Opmerkingen

  • De waardeargumenten van de IS-functies worden niet geconverteerd. Zo wordt bij de meeste andere functies waar u een getal moet opgeven, de tekstwaarde "19" geconverteerd naar het getal 19. In de formule ISGETAL("19") wordt "19" echter niet geconverteerd en geeft de functie ISGETAL de waarde ONWAAR als resultaat.

  • De IS-functies komen goed van pas in formules, omdat ze u in staat stellen het resultaat van een berekening te testen. Als u ze in combinatie met de functie ALS gebruikt, kunt u er fouten in formules mee opsporen (zie de volgende voorbeelden).

Voorbeelden: serie 1

Formule

Beschrijving (resultaat)

=ISLOGISCH(WAAR)

Controleert of WAAR een logische waarde is (Ja)

=ISLOGISCH("WAAR")

Controleert of "WAAR" een logische waarde is (Nee)

=ISGETAL(4)

Controleert of 4 een getal is (Ja)

Voorbeelden: serie 2

Kol1

Formule

Beschrijving (resultaat)

Goud

=ISLEEG([Kol1])

Controleert of de waarde in Kol1 leeg is (Nee)

#VERW!

=ISFOUT([Kol1])

Controleert of de waarde in Kol1 een fout is (Ja)

#VERW!

=ISNB([Kol1])

Controleert of de waarde in Kol1 de fout #N/B is (Nee)

#N/B

=ISNB([Kol1])

Controleert of de waarde in Kol1 de fout #N/B is (Ja)

#N/B

=ISFOUT2([Kol1])

Controleert of de waarde in Kol1 een fout is (Nee)

330,92

=ISGETAL([Kol1])

Controleert of de waarde in Kol1 een getal is (Ja)

Regio1

=ISTEKST([Kol1])

Controleert of de waarde in Kol1 tekst is (Ja)

Uw Office-vaardigheden uitbreiden
Training verkennen
Als eerste nieuwe functies krijgen
Deelnemen aan Office Insiders

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback.

Hartelijk dank voor uw feedback! Het lijkt ons een goed idee om u in contact te brengen met een van onze Office-ondersteuningsagents.

×