INTERVAL, functie

In dit artikel worden de syntaxis van de formule en het gebruik van de functie INTERVAL in Microsoft Excel beschreven.

Beschrijving

Berekent hoe vaak waarden voorkomen in een waardenbereik en geeft als resultaat een verticale matrix met getallen. U gebruikt INTERVAL bijvoorbeeld om het aantal scores van een test binnen een reeks scores te tellen. Omdat INTERVAL een matrix als resultaat geeft, moet de functie als een matrixformule worden ingevoerd.

Syntaxis

INTERVAL(gegevensmatrix;interval_verw)

De syntaxis van de functie INTERVAL heeft de volgende argumenten:

  • gegevensmatrix    Vereist. Een matrix met of een verwijzing naar een verzameling waarden waarvan u de frequentie wilt weten. Als gegevensmatrix geen waarden bevat, resulteert INTERVAL in een matrix met nullen.

  • interval_verw    Vereist. Een matrix met of een verwijzing naar de intervallen waarin u de waarden uit gegevensmatrix wilt verdelen. Als interval_verw geen waarden bevat, resulteert INTERVAL in het aantal elementen in gegevensmatrix.

Opmerkingen

  • U voert INTERVAL in als een matrixformule door eerst een cellenbereik te selecteren waarin u de resulterende frequentieverdeling wilt weergeven. Dit cellenbereik dient zich te bevinden naast de cellen die de argumenten bevatten.

  • Het aantal elementen in de resulterende matrix is één groter dan het aantal elementen in interval_verw. Het extra element is het aantal waarden boven het hoogste interval. Als u bijvoorbeeld drie waardebereiken (intervallen) telt die in drie cellen zijn ingevoerd, moet u INTERVAL in vier cellen invoeren. De extra cel bevat het aantal waarden in gegevensmatrix die groter zijn dan de derde intervalwaarde.

  • Met de functie INTERVAL worden lege cellen en cellen met tekst genegeerd.

  • Formules die een matrix als resultaat geven, moeten als matrixformules worden ingevoerd.

Voorbeeld

Kopieer de voorbeeldgegevens uit de volgende tabel en plak deze in cel A1 van een nieuw Excel-werkblad. Om resultaten van formules weer te geven, selecteert u deze, drukt u op F2 en drukt u vervolgens op Enter. Indien nodig kunt u de kolombreedten aanpassen als u alle gegevens wilt zien.

Score

Interval

79

70

85

79

78

89

85

50

81

95

88

97

Formule

Beschrijving

Resultaat

=INTERVAL(A2:A10; B2:B4)

Het aantal scores dat kleiner is dan of gelijk is aan 70.

1

Het aantal scores in het interval 71-79.

2

Het aantal scores in het interval 80-89.

4

Het aantal scores dat groter is dan of gelijk is aan 90.

2

Opmerking: De formule in cel C12 is een matrixformule. Open deze werkmap in het Excel-bureaubladprogramma (en niet in de webbrowser), als u voor deze formule waarden wilt retourneren in de cellen C12, C13, C14 en C15. Selecteer C12, C13, C14 en C15 in Excel, druk op F2 en druk vervolgens op Ctrl+Shift+Enter. Anders wordt alleen een waarde in C12 als resultaat gegeven.

Uw vaardigheden uitbreiden
Training verkennen
Als eerste nieuwe functies krijgen
Deelnemen aan Office Insiders

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback.

Hartelijk dank voor uw feedback! Het lijkt ons een goed idee om u in contact te brengen met een van onze Office-ondersteuningsagents.

×