Inleiding tot gegevenstypen en veldeigenschappen

Inleiding tot gegevenstypen en veldeigenschappen

Elke tabel in Access bestaat uit velden. De eigenschappen van een veld beschrijven de kenmerken en de werking van gegevens die aan dat veld worden toegevoegd. Het gegevenstype van een veld is de belangrijkste eigenschap, omdat deze eigenschap bepaalt wat voor soort gegevens er in het veld kunnen worden opgeslagen. In dit artikel worden de gegevenstypen en andere veldeigenschappen beschreven die beschikbaar zijn in Access. Aan het einde van het artikel vindt u uitgebreide informatie over de verschillende gegevenstypen.

In dit artikel

Overzicht

Gegevenstypen kunnen soms verwarrend zijn. Als het gegevenstype van een veld bijvoorbeeld is ingesteld op Tekst, kan het veld gegevens bevatten die uit tekst of numerieke tekens bestaan. Een veld met het gegevenstype Getal kan daarentegen alleen numerieke gegevens bevatten. U moet dus weten welke eigenschappen er met elk gegevenstype worden gebruikt.

Het gegevenstype van het veld bepaalt nog verschillende andere belangrijke veldkenmerken, zoals deze:

  • De notaties die met het veld kunnen worden gebruikt.

  • De maximale grootte van een waarde in het veld.

  • Hoe het veld kan worden gebruikt in expressies.

  • Of het veld kan worden geïndexeerd.

Het gegevenstype van een veld kan vooraf zijn gedefinieerd of u selecteert een gegevenstype, afhankelijk van hoe u het nieuwe veld gaat maken. Stel dat u een veld maakt in de gegevensbladweergave en u:

  • Een bestaand veld uit een andere tabel gebruikt: het gegevenstype is dan al gedefinieerd in de sjabloon of in de andere tabel.

  • Gegevens invoert in een lege kolom (of een leeg veld): er wordt dan Access een gegevenstype toegewezen aan het veld op basis van de waarden die u invoert, of u kunt het gegevenstype en de notatie voor het veld instellen.

  • U klikt op het tabblad Velden wijzigen, in de groep Velden en kolommen, op Velden toevoegen: in Access ziet u een lijst met gegevenstypen waaruit u kunt kiezen.

Naar boven

Wanneer welk gegevenstype gebruiken

U kunt het gegevenstype van een veld zien als een set kwaliteiten die gelden voor alle waarden die in het veld zijn opgenomen. Waarden die bijvoorbeeld worden opgeslagen in een tekstveld, kunnen alleen bestaan uit letters, cijfers en een beperkt aantal leestekens. Bovendien kan een tekstveld maximaal 255 tekens bevatten.

Tip: Soms lijkt het alsof de gegevens in een veld van een bepaald gegevenstype zijn, terwijl dat helemaal niet zo is. Zo kan het lijken dat een veld numerieke waarden bevat, terwijl het in werkelijkheid tekstwaarden zijn die kamernummers voorstellen. Vaak kunt u waarden met verschillende gegevenstypen met behulp van een expressie met elkaar vergelijken of converteren.

In de volgende tabellen worden de notaties toegelicht die beschikbaar zijn voor elk gegevenstype.

Basistypen

Notatie

Voor de weergave van

Tekst

Korte, alfanumerieke waarden, zoals een achternaam of een woonadres. Vanaf Access 2013 is de naam van het gegevenstype Tekst gewijzigd in Korte tekst.

Getal, Groot getal

Numerieke waarden, zoals afstanden. Er is een afzonderlijk gegevenstype voor valuta's.

Valuta

Monetaire waarden.

Ja/Nee

Ja- en Nee-waarden en -velden die slechts een van twee mogelijke waarden kunnen bevatten.

Datum/tijd

Datum- en tijdwaarden voor de jaren 100 tot en met 9999.

Tekst met opmaak

Tekst of combinaties van tekst en getallen die kunnen worden opgemaakt met de hulpmiddelen voor kleur en lettertype.

Berekend veld

Resultaten van een berekening. De berekening moet verwijzen naar andere velden in dezelfde tabel. U gebruikt de opbouwfunctie voor expressies om de berekening te maken. Berekende velden zijn geïntroduceerd in Access 2010.

Bijlage

Afbeeldingen, werkbladbestanden, documenten, grafieken en andere typen ondersteunde bestanden die als bijlage zijn toegevoegd aan records in de database. Dit is te vergelijken met de manier waarop u bestanden als bijlage toevoegt aan e-mailberichten.

Hyperlink

Tekst of combinaties van tekst en getallen die als tekst zijn opgeslagen en die worden gebruikt als een hyperlinkadres.

Memo

Lange blokken tekst. Een memoveld wordt bijvoorbeeld vaak gebruikt voor het invoeren van een gedetailleerde productbeschrijving. Vanaf Access 2013 is de naam van het gegevenstype Memo gewijzigd in Lange tekst.

Opzoeken

Een lijst met waarden die wordt opgehaald uit een tabel of query, of een set waarden die u hebt opgegeven tijdens het maken van het veld. De wizard Opzoeken wordt gestart en u kunt een opzoekveld maken. Het gegevenstype van een opzoekveld is Tekst of Getal, afhankelijk van de keuzen in de wizard.

Opzoekvelden hebben een extra set veldeigenschappen, die zich bevinden op het tabblad Opzoeken van het deelvenster Veldeigenschappen.

Opmerking: de gegevenstypen Bijlage en Berekend zijn niet beschikbaar in de bestandsindeling MDB.

Getal

Notatie

Voor de weergave van

Algemeen

Getallen zonder verdere opmaak, precies zoals deze zijn opgeslagen.

Valuta

Algemene monetaire waarden.

Euro

Algemene monetaire waarden die zijn opgeslagen in de EU-indeling.

Vast

Numerieke gegevens.

Standaard

Numerieke gegevens met een decimaal.

Percentage

Percentages.

Wetenschappelijk

Berekeningen.

Datum en tijd

Notatie

Voor de weergave van

Korte datumnotatie

De datum in een korte notatie. Afhankelijk van uw landinstellingen voor datum en tijd. Bijvoorbeeld 14-3-2001 voor Nederland.

Middellange datumnotatie

De datum in middellange datumnotatie. Bijvoorbeeld 3-apr-09 voor Nederland.

Lange datumnotatie

De datum in een lange notatie. Afhankelijk van uw landinstellingen voor datum en tijd. Bijvoorbeeld 'woensdag 14 maart 2001' voor Nederland.

Tijd, AM/PM

De tijd met alleen een 12-uursnotatie die wordt aangepast als de landinstellingen voor datum en tijd worden gewijzigd.

Middellange tijdnotatie

De tijd gevolgd door AM/PM.

Tijd, 24-uurs

De tijd met alleen een 24-uursnotatie die wordt aangepast als de landinstellingen voor datum en tijd worden gewijzigd.

Ja/nee

Gegevenstype

Voor de weergave van

Selectievakje

Een selectievakje.

Ja/nee

De opties Ja en Nee.

Waar/onwaar

De opties Waar en Onwaar.

Aan/uit

De opties Aan en Uit.

OLE-object    OLE-objecten, zoals Word-documenten.

Naar boven

De eigenschap Veldlengte

Nadat u een veld hebt gemaakt en het gegevenstype hebt ingesteld, kunt u nog aanvullende eigenschappen instellen. Het gegevenstype van het veld bepaalt welke andere eigenschappen dat zijn. Zo kunt u de lengte van een tekstveld bepalen door de eigenschap Veldlengte van het veld in te stellen.

De eigenschap Veldlengte is met name belangrijk voor velden van het type Getal en Valuta omdat hiermee het bereik van veldwaarden wordt bepaald. In een numeriek veld met een lengte van één bit kunnen bijvoorbeeld alleen gehele getallen tussen 0 en 255 worden opgeslagen.

De eigenschap Veldlengte bepaalt ook hoeveel schijfruimte er vereist is voor elke waarde van een numeriek veld. Afhankelijk van de veldlengte, kan het getal precies 1, 2, 4, 8, 12 of 16 bytes in beslag nemen.

Opmerking: Tekst- en memovelden hebben variabele waarden voor de veldlengte. Voor deze gegevenstypen bepaalt de eigenschap Veldlengte de maximale ruimte die beschikbaar is voor een waarde.

Raadpleeg het gedeelte Naslag voor gegevenstypen voor meer informatie over veldeigenschappen en hoe deze werken met de verschillende gegevenstypen. Lees ook het artikel De veldlengte instellen.

Naar boven

Gegevenstypen in relaties en joins

Een tabelrelatie is een koppeling tussen gemeenschappelijke velden in twee tabellen. Een relatie kan een-op-een, een-op-veel of veel-op-veel zijn.

Een join is een SQL-bewerking waarin gegevens uit twee bronnen worden gecombineerd tot één record in een queryrecordset, op basis van waarden in een opgegeven veld dat in beide bronnen voorkomt. Een join kan een inner join, een left outer join of een right outer join zijn.

Wanneer u een tabelrelatie maakt of een join toevoegt aan een query, moeten de velden die u koppelt dezelfde of compatibele gegevenstypen hebben. U kunt bijvoorbeeld geen join maken tussen een numeriek veld en een tekstveld, zelfs niet als de waarden in de velden overeenkomen.

In een relatie of een join zijn velden met het gegevenstype AutoNummering compatibel met velden die niet zijn ingesteld op het gegevenstype Getal als de eigenschap Veldlengte van die velden is ingesteld op Lange Integer.

Als een veld deel uitmaakt van een tabelrelatie, kunt u het gegevenstype of de eigenschap Veldlengte van het veld niet wijzigen. U kunt de relatie tijdelijk verwijderen om de eigenschap Veldlengte aan te passen. Als u echter het gegevenstype wijzigt, kunt u de relatie alleen opnieuw maken nadat u ook het gegevenstype van het gerelateerde veld hebt gewijzigd. Zie het artikel Inleiding tot tabellen voor meer informatie over tabellen.

Naar boven

Naslag voor gegevenstypen

Wanneer u een gegevenstype toepast op een veld, wordt er een set eigenschappen gekoppeld aan het veld die u vervolgens kunt selecteren. Klik hieronder op een gegevenstype voor meer informatie.

Bijlage

Doel    Gebruik dit type voor een veld waarmee bestanden of afbeeldingen kunnen worden toegevoegd aan een record. Als u bijvoorbeeld een database hebt met contactpersonen voor een project, kunt u een bijlageveld gebruiken om een foto van de contactpersoon toe te voegen of documenten zoals een cv. Bij sommige bestandstypen worden bijlagen gecomprimeerd op het moment dat u ze toevoegt in Access. Het gegevenstype Bijlage is alleen beschikbaar in databases met ACCDB-bestanden.

Typen bijlagen die in Access worden gecomprimeerd

Wanneer u een van de volgende bestandstypen bijvoegt, wordt het bestand gecomprimeerd in Access.

  • Bitmaps, zoals BMP-bestanden

  • Windows-metabestanden, waaronder EMF-bestanden

  • Exchangeable File Format-bestanden (EXIF-bestanden)

  • Pictogrammen

  • Tagged Image File Format-bestanden

U kunt allerlei soorten bestanden toevoegen aan een record. Sommige bestandstypen die een beveiligingsrisico kunnen opleveren, worden echter geblokkeerd. U kunt ervan uitgaan dat u alle bestanden kunt toevoegen die zijn gemaakt in een Microsoft Office-programma. Daarnaast kunt u logboekbestanden (.log), tekstbestanden (.text, .txt) en gecomprimeerde zip-bestanden toevoegen. Zie de tabel verderop in dit gedeelte voor een lijst met ondersteunde bestandsindelingen voor afbeeldingen.

Lijst met geblokkeerde bestandstypen

In Access worden de volgende typen bestandsbijlagen geblokkeerd.

.ADE

.INS

.MDA

.SCR

.ADP

.ISP

.MDB

.SCT

.APP

.ITS

.MDE

.SHB

.ASP

.JS

.MDT

.SHS

.BAS

.JSE

.MDW

.TMP

.BAT

.KSH

.MDZ

.URL

.CER

.LNK

.MSC

.VB

.CHM

.MAD

.MSI

.VBE

.CMD

.MAF

.MSP

.VBS

.COM

.MAG

.MST

.VSMACROS

.CPL

.MAM

.OPS

.VSS

.CRT

.MAQ

.PCD

.VST

.CSH

.MAR

.PIF

.VSW

.EXE

.MAS

.PRF

.WS

.FXP

.MAT

.PRG

.WSC

.HLP

.MAU

.PST

.WSF

.HTA

.MAV

.REG

.WSH

.INF

.MAW

.SCF

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Vereiste

Elke record heeft ten minste één bijlage voor het veld.

Ondersteunde bestandsindelingen voor afbeeldingen

Access ondersteunt de volgende bestandsindelingen voor afbeeldingen zonder dat er extra software hoeft te worden geïnstalleerd op uw computer.

  • Windows-bitmap (BMP-bestanden)

  • Run Length Encoded-bitmap (RLE-bestanden)

  • Device Independent Bitmap (DIB-bestanden)

  • Graphics Interchange Format (GIF-bestanden)

  • Joint Photographic Experts Group (JPE-, JPEG- en JPG-bestanden)

  • Exchangeable File Format (EXIF-bestanden)

  • Portable Network Graphics (PNG-bestanden)

  • Tagged Image File Format (TIF- en TIFF-bestanden)

  • Pictogram (ICO- en ICON-bestanden)

  • Windows Metafile (WMF-bestanden)

  • Enhanced Metafile (EMF-bestanden)

Naamgevingsconventies voor bestanden

De namen van de bestandsbijlagen kunnen Unicode-tekens bevatten die worden ondersteund door het NTFS-bestandssysteem dat wordt gebruikt in Microsoft Windows NT. Daarnaast moeten bestandsnamen voldoen aan de volgende richtlijnen:

  • Namen mogen niet langer zijn dan 255 tekens, inclusief de bestandsnaamextensie.

  • Namen kunnen niet de volgende tekens bevatten: vraagtekens (?), aanhalingstekens ("), slashes en backslashes (/ \), haakjes openen of sluiten (< >), sterretjes (*), verticale strepen of sluistekens (|), dubbele punten (:) of alineamarkeringen ().

Naar boven

AutoNummering

Doel    Gebruik een AutoNummering-veld om een unieke waarde op te geven die uitsluitend is bedoeld om elke record uniek te maken. Een AutoNummering-veld wordt het meest gebruikt als een primaire sleutel, met name als er geen geschikte natuurlijke sleutel beschikbaar is (een sleutel die is gebaseerd op een gegevensveld).

De waarde voor een AutoNummering-veld neemt 4 of 16 bytes in beslag, afhankelijk van de waarde van de eigenschap Veldlengte.

Stel dat u een tabel hebt waarin de gegevens van contactpersonen worden opgeslagen. U kunt dan de namen van contactpersonen gebruiken als de primaire sleutel voor die tabel, maar wat doet u dan als er twee contactpersonen met dezelfde naam zijn? Namen zijn niet geschikt als natuurlijke sleutels, omdat ze vaak niet uniek zijn. Als u een AutoNummering-veld gebruikt, krijgt elke record gegarandeerd een unieke id.

Opmerking: Gebruik geen AutoNummering-veld om het aantal records in een tabel bij te houden. AutoNummering-waarden worden namelijk niet opnieuw gebruikt, zodat verwijderde records een onjuiste telling kunnen veroorzaken. Bovendien kunt u eenvoudig een nauwkeurige telling van het aantal records verkrijgen met behulp van een totalenrij in een gegevensblad.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Veldlengte

Bepaalt de hoeveelheid ruimte die wordt toegewezen voor elke waarde. Voor een AutoNummering-veld zijn slechts twee waarden toegestaan:

  • De veldlengte Lange integer wordt gebruikt voor AutoNummering-velden die niet worden gebruikt als replicatie-id's. Dit is de standaardwaarde. Wijzig deze waarde alleen u als een replicatie-id-veld maakt.

    Opmerking: Replicatie wordt niet ondersteund in databases die een nieuwe bestandsindeling gebruiken, zoals ACCDB.

    Deze instelling zorgt ervoor dat AutoNummering-velden compatibel zijn met andere velden van het type Lange integer wanneer deze worden gebruikt in relaties of joins. Elke waarde voor het veld vereist 4 bytes opslag.

  • De veldlengte Replicatie-ID wordt gebruikt voor AutoNummering-velden die als replicatie-id's worden gebruikt in de replica van een database. Gebruik deze waarde alleen als u werkt aan het ontwerp van een gerepliceerde database of als u een dergelijk ontwerp wilt implementeren.

    Elke waarde voor het veld vereist 16 bytes opslag.

Nieuwe waarden

Bepaalt of het AutoNummering-veld met elke nieuwe waarde wordt verhoogd of dat er willekeurige getallen worden gebruikt. Selecteer een van de volgende opties:

  • Verhoging   Begint met de waarde 1 en wordt stapsgewijs met 1 verhoogd voor elke nieuwe record.

  • Willekeurige   Begint met een willekeurige waarde en er wordt een willekeurige waarde toegekend aan elke nieuwe record. Waarden hebben de veldlengte Lange integer en het bereik ligt tussen-2.147.483.648 en 2.147.483.647.

Notatie

Als u een AutoNummering-veld als primaire sleutel gebruikt of als een replicatie-id, moet u deze eigenschap niet instellen. Kies anders een getalnotatie die voldoet aan uw specifieke behoeften.

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Geïndexeerd

Geeft aan of het veld een index heeft. Er zijn drie mogelijke waarden:

  • Ja (geen duplicaten)   Er wordt een unieke index gemaakt voor het veld.

  • Ja (duplicaten OK)   Er wordt een niet-unieke index gemaakt voor het veld.

  • Niet   Verwijdert een index van het veld.

Opmerking: Wijzig deze eigenschap niet voor een veld dat wordt gebruikt in een primaire sleutel. Zonder een unieke index is het mogelijk om dubbele waarden in te voeren, met als mogelijk gevolg dat relaties worden verbroken waarin de sleutel een rol speelt.

Hoewel u een index voor één veld kunt maken door de veldeigenschap Geïndexeerd in te stellen, kunnen bepaalde soorten indexen niet worden gemaakt op deze manier. Zo kunt u een index voor meerdere velden maken door deze eigenschap in te stellen.

Infolabels

Hiermee koppelt u een infolabel aan het veld. Infolabels zijn afgeschaft in Access 2013.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Naar boven

Berekend

Doel    Gebruik dit gegevenstype voor het opslaan van de resultaten van een berekening.

De berekening moet verwijzen naar andere velden in dezelfde tabel. U gebruikt de opbouwfunctie voor expressies om de berekening te maken. Dit gegevenstype is geïntroduceerd in Access 2010. Het gegevenstype is alleen beschikbaar in databases met ACCDB-bestanden.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Expressie

Het resultaat van deze berekening wordt opgeslagen in de berekende kolom. Als deze kolom is opgeslagen, kunnen in deze expressie alleen opgeslagen kolommen worden gebruikt.

Resultaattype

Het resultaat van de berekening wordt weergegeven als dit gegevenstype.

Opmaak

Hiermee bepaalt u hoe het veld eruitziet wanneer het wordt weergegeven of afgedrukt in gegevensbladen of in formulieren of rapporten die zijn gebonden aan het veld. U kunt elke geldige getalnotatie gebruiken. In de meeste gevallen moet de waarde voor Opmaak overeenkomen met het resultaattype.

Aantal decimalen

Het aantal decimalen dat moet worden gebruikt bij het weergeven van getallen.

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Naar boven

Valuta

Doel    Monetaire gegevens opslaan.

Gegevens in een valutaveld worden niet afgerond tijdens berekeningen. Een valutaveld is tot 15 cijfers vóór de decimale komma en 4 decimalen achter de komma nauwkeurig. Elke waarde voor een valutaveld vereist 8 bytes opslag.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Opmaak

Hiermee bepaalt u hoe het veld eruitziet wanneer het wordt weergegeven of afgedrukt in gegevensbladen of in formulieren of rapporten die zijn gebonden aan het veld. U kunt elke geldige getalnotatie gebruiken. In de meeste gevallen moet de waarde voor Opmaak overeenkomen met Valuta.

Aantal decimalen

Het aantal decimalen dat moet worden gebruikt bij het weergeven van getallen.

Invoermasker

Hiermee kunt u de tekens opgeven die worden weergegeven om de invoer van gegevens te sturen. Een invoermasker kan bijvoorbeeld bestaan uit een euroteken (€) dat aan het begin van het veld wordt weergegeven.

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Standaardwaarde

Hiermee wordt de opgegeven waarde automatisch toegewezen aan dit veld wanneer er een nieuwe record wordt toegevoegd.

Validatieregel

Een expressie die 'waar' moet zijn wanneer u een waarde aan dit veld toevoegt of de waarde in dit veld wijzigt. Gebruik deze eigenschap in combinatie met de eigenschap Validatietekst.

Validatietekst

Voer het bericht in dat moet worden weergegeven wanneer een ingevoerde waarde in strijd is met de expressie in de eigenschap Validatieregel.

Vereist

Vereist dat er gegevens worden ingevoerd in het veld.

Geïndexeerd

Geeft aan of het veld een index heeft. Er zijn drie mogelijke waarden:

  • Ja (geen duplicaten)   Er wordt een unieke index gemaakt voor het veld.

  • Ja (duplicaten OK)   Er wordt een niet-unieke index gemaakt voor het veld.

  • Niet   Verwijdert een index van het veld.

Opmerking: Wijzig deze eigenschap niet voor een veld dat wordt gebruikt in een primaire sleutel.

Hoewel u een index voor één veld kunt maken door de veldeigenschap Geïndexeerd in te stellen, kunnen bepaalde soorten indexen niet worden gemaakt op deze manier. Zo kunt u een index voor meerdere velden maken door deze eigenschap in te stellen.

Infolabels

Hiermee koppelt u een infolabel aan het veld. Infolabels zijn afgeschaft in Access 2013.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Naar boven

Datum/tijd

Doel    Gegevens op basis van tijd opslaan.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Standaardwaarde

Hiermee wordt de opgegeven waarde automatisch toegewezen aan dit veld wanneer er een nieuwe record wordt toegevoegd.

Opmaak

Hiermee bepaalt u hoe het veld eruit ziet wanneer u het veld gaat weergeven of afdrukken in gegevensbladen of in formulieren of rapporten die zijn gebonden aan het veld. U kunt een vooraf gedefinieerde indeling gebruiken of uw eigen aangepaste indeling maken.

Lijst met vooraf gedefinieerde notaties

  • Standaard-datumnotatie   Als de waarde alleen uit een datum bestaat, is de standaardinstelling dat er geen tijd wordt weergegeven. Als de waarde alleen uit een tijd bestaat, wordt er geen datum weergegeven. Deze instelling is een combinatie van de instellingen van Korte datumnotatie en Lange tijdnotatie.

    Voorbeelden    

    • 3-4-07

    • 05:34:00

    • 3-4-07 05:34:00

  • Lange datumnotatie   Hetzelfde als de instelling Lange datumnotatie in de landinstellingen van Windows. Voorbeeld: zaterdag 3 april 2007.

  • Middellange datumnotatie   De datum wordt weergegeven als dd-mmm-jjjj. Voorbeeld: 3-apr-2007.

  • Korte datumnotatie Hetzelfde als de instelling Korte datumnotatie in de landinstellingen van Windows. Voorbeeld: 3-4-07.

    Waarschuwing: Bij de instelling Korte datumnotatie wordt ervan uitgegaan dat datums tussen 1-1-00 en 31-12-29 datums uit de eenentwintigste eeuw zijn (de periode 2000 tot en met 2029). Datums tussen 1-1-30 en 31-12-99 worden geacht te horen bij de twintigste eeuw (de periode 1930 tot en met 1999).

  • Lange tijdnotatie   Hetzelfde als de instelling op het tabblad Tijd in de landinstellingen van Windows. Voorbeeld: 5:34:23.

  • Middellange tijdnotatie   De tijd wordt uitgedrukt als uren en minuten, van elkaar gescheiden door het tijdscheidingsteken, gevolgd door de indicator AM of PM. Voorbeeld: 5:34 PM.

  • Korte tijdnotatie   De tijd wordt uitgedrukt als uren en minuten gescheiden door het tijdscheidingsteken, met behulp van een 24-uursklok. Voorbeeld: 17:34.

Lijsten van onderdelen die u in aangepaste indelingen kunt gebruiken

U kunt een willekeurige combinatie van de volgende onderdelen gebruiken om een aangepaste notatie te maken. U kunt bijvoorbeeld ww/w typen om de week van het jaar en de dag van de week weer te geven.

Belangrijk: Aangepaste notaties die in strijd zijn met de datum-/tijdinstellingen in de landinstellingen van Windows, worden genegeerd. Zie Windows Help voor meer informatie over de landinstellingen van Windows.

Scheidingstekens

Opmerking: Scheidingstekens worden ingesteld via Landinstellingen van Windows.

:   Tijdscheidingsteken Bijvoorbeeld uu:mm

/   Datumscheidingsteken. Bijvoorbeeld mmm/jjjj

Een korte tekenreeks tussen aanhalingstekens (" ") vormt een aangepast scheidingsteken. De aanhalingstekens worden niet weergegeven. "," resulteert bijvoorbeeld in een komma.

Onderdelen voor datumnotaties

d   Dag van de maand in één cijfer, na de negende dag in twee cijfers (1 t/m 31).

dd   Dag van de maand in twee cijfers (01 t/m 31).

ddd   Eerste twee letters van de dag van de week (zo t/m za).

dddd   Volledige naam van de dag van de week (zondag t/m zaterdag).

w   Dag van de week (1 t/m 7).

ww   Week van het jaar (1 t/m 53).

m   Maand van het jaar in één cijfer, oktober t/m december in twee cijfers (1 t/m 12).

mm   Maand van het jaar in twee cijfers (01 t/m 12).

mmm   Naam van de maand, afgekort tot drie letters (jan t/m dec).

mmmm   Volledige naam van de maand (januari t/m december).

k   Het kwartaal van het jaar (1 t/m 4).

j   Nummer van de dag van het jaar (1 t/m 366).

jj   Laatste twee cijfers van het jaartal (01 t/m 99).

jjjj   Volledig jaartal (0100 t/m 9999).

Onderdelen voor tijdnotaties

u   Uur in één cijfer, vanaf 10 uur in twee cijfers (0 t/m 23).

uu   Uur in twee cijfers (00 t/m 23).

m   Minuten in één cijfer, vanaf 10 in twee cijfers (0 t/m 59).

mm   Minuten in twee cijfers (00 t/m 59).

s   Seconden in één cijfer, vanaf 10 in twee cijfers (0 t/m 59).

ss   Seconden in twee cijfers (00 t/m 59).

Onderdelen voor kloknotaties

AM/PM   Twaalf-uursklok met de hoofdletters 'AM' of 'PM'. Bijvoorbeeld 9:34 PM.

am/pm   Twaalf-uursklok met de kleine letters 'AM' of 'PM'. Bijvoorbeeld 9:34 pm.

A/P   Twaalf-uursklok met de hoofdletter 'A' of 'P'. Bijvoorbeeld 9:34 P.

a/p   Twaalf-uursklok met een kleine letter 'a' of 'p'. Bijvoorbeeld 9:34 p.

AMPM   Twaalf-uursklok met de aanduiding voor voormiddag/namiddag volgens de definitie in de landinstellingen van Windows.

Vooraf gedefinieerde notaties

c   Hetzelfde als de vooraf gedefinieerde notatie Standaard-datumnotatie.

ddddd   Hetzelfde als de vooraf gedefinieerde notatie Korte datumnotatie.

dddddd   Hetzelfde als de vooraf gedefinieerde notatie Lange datumnotatie.

ttttt   Hetzelfde als de vooraf gedefinieerde notatie Lange tijdnotatie.

IME-modus

Bepaalt de conversie van tekens in Oost-Aziatische versies van Windows.

IME-zinmodus

Bepaalt de conversie van zinnen in Oost-Aziatische versies van Windows.

Geïndexeerd

Geeft aan of het veld een index heeft. Er zijn drie mogelijke waarden:

  • Ja (geen duplicaten)   Er wordt een unieke index gemaakt voor het veld.

  • Ja (duplicaten OK)   Er wordt een niet-unieke index gemaakt voor het veld.

  • Niet   Verwijdert een index van het veld.

Opmerking: Wijzig deze eigenschap niet voor een veld dat wordt gebruikt in een primaire sleutel.

Hoewel u een index voor één veld kunt maken door de veldeigenschap Geïndexeerd in te stellen, kunnen bepaalde soorten indexen niet worden gemaakt op deze manier. Zo kunt u een index voor meerdere velden maken door deze eigenschap in te stellen.

Invoermasker

Hiermee kunt u de tekens opgeven die worden weergegeven om de invoer van gegevens te sturen. Een invoermasker kan bijvoorbeeld bestaan uit een euroteken (€) dat aan het begin van het veld wordt weergegeven.

Vereist

Vereist dat er gegevens worden ingevoerd in het veld.

Datumkiezer weergeven

Bepaalt of het besturingselement Datumkiezer wordt weergegeven.

Opmerking: Als u een invoermasker gebruikt voor een datum-/tijdveld, is het besturingselement Datumkiezer niet beschikbaar, ongeacht hoe u deze eigenschap instelt.

Infolabels

Hiermee koppelt u een infolabel aan het veld. Infolabels zijn afgeschaft in Access 2013.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Validatieregel

Een expressie die 'waar' moet zijn wanneer u een waarde aan dit veld toevoegt of de waarde in dit veld wijzigt. Gebruik deze eigenschap in combinatie met de eigenschap Validatietekst.

Validatietekst

Voer het bericht in dat moet worden weergegeven wanneer een ingevoerde waarde in strijd is met de expressie in de eigenschap Validatieregel.

Naar boven

Hyperlink

Doel    Gebruik dit gegevenstype voor het opslaan van een hyperlink, zoals een e-mailadres of een website-URL.

Een hyperlink kan een UNC-pad of een URL zijn. Een veld van dit gegevenstype kan maximaal 2048 tekens bevatten.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Lengte nul toestaan

Maakt het mogelijk om een tekenreeks met lengte nul ("") in te voeren in een hyperlink-, tekst- of memoveld (door de eigenschap in te stellen op Ja).

Alleen toevoegen

Hiermee bepaalt u of u wijzigingen van de waarde in het veld wilt bijhouden. Er zijn twee instellingen:

  • Ja Wijzigingen bijhouden. Als u de geschiedenis van de veldwaarde wilt bekijken, klikt u met de rechtermuisknop op het veld en klikt u op Kolomgeschiedenis weergeven.

  • Nee Geen wijzigingen bijhouden.

Waarschuwing:  Als u deze eigenschap instelt op Nee, verwijdert u de bestaande geschiedenis van een waarde (indien aanwezig).

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Standaardwaarde

Hiermee wordt de opgegeven waarde automatisch toegewezen aan dit veld wanneer er een nieuwe record wordt toegevoegd.

Opmaak

Hiermee bepaalt u hoe het veld eruitziet wanneer het wordt weergegeven of afgedrukt in gegevensbladen of in formulieren of rapporten die zijn gebonden aan het veld. U kunt een aangepaste notatie definiëren voor een hyperlinkveld.

IME-modus

Bepaalt de conversie van tekens in Oost-Aziatische versies van Windows.

IME-zinmodus

Bepaalt de conversie van zinnen in Oost-Aziatische versies van Windows.

Geïndexeerd

Geeft aan of het veld een index heeft. Er zijn drie mogelijke waarden:

  • Ja (geen duplicaten)   Er wordt een unieke index gemaakt voor het veld.

  • Ja (duplicaten OK)   Er wordt een niet-unieke index gemaakt voor het veld.

  • Niet   Verwijdert een index van het veld.

Opmerking: Wijzig deze eigenschap niet voor een veld dat wordt gebruikt in een primaire sleutel.

Hoewel u een index voor één veld kunt maken door de veldeigenschap Geïndexeerd in te stellen, kunnen bepaalde soorten indexen niet worden gemaakt op deze manier. Zo kunt u een index voor meerdere velden maken door deze eigenschap in te stellen.

Vereist

Vereist dat er gegevens worden ingevoerd in het veld.

Infolabels

Hiermee koppelt u een infolabel aan het veld. Infolabels zijn afgeschaft in Access 2013.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Unicode-compressie

Hiermee wordt tekst die wordt opgeslagen in dit veld gecomprimeerd als er minder dan 4096 tekens worden opgeslagen.

Validatieregel

Een expressie die 'waar' moet zijn wanneer u een waarde aan dit veld toevoegt of de waarde in dit veld wijzigt. Gebruik deze eigenschap in combinatie met de eigenschap Validatietekst.

Validatietekst

Voer het bericht in dat moet worden weergegeven wanneer een ingevoerde waarde in strijd is met de expressie in de eigenschap Validatieregel.

Naar boven

Memo

Doel    Gebruik dit gegevenstype voor het opslaan van een blok tekst met meer dan 255 tekens en opmaak. Vanaf Access 2013 is de naam van het gegevenstype Memo gewijzigd in Lange tekst.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Lengte nul toestaan

Maakt het mogelijk om een tekenreeks met lengte nul ("") in te voeren in een hyperlink-, tekst- of memoveld (door de eigenschap in te stellen op Ja).

Alleen toevoegen

Hiermee bepaalt u of u wijzigingen van de waarde in het veld wilt bijhouden. Er zijn twee instellingen:

  • Ja Wijzigingen bijhouden. Als u de geschiedenis van de veldwaarde wilt bekijken, klikt u met de rechtermuisknop op het veld en klikt u op Kolomgeschiedenis weergeven.

  • Nee Geen wijzigingen bijhouden.

    Waarschuwing: Als u deze eigenschap instelt op Nee, verwijdert u de bestaande geschiedenis van een waarde (indien aanwezig).

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Tip: Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Standaardwaarde

Hiermee wordt de opgegeven waarde automatisch toegewezen aan dit veld wanneer er een nieuwe record wordt toegevoegd.

Opmaak

Hiermee bepaalt u hoe het veld eruitziet wanneer het wordt weergegeven of afgedrukt in gegevensbladen of in formulieren of rapporten die zijn gebonden aan het veld. U kunt een aangepaste notatie definiëren voor een memoveld.

IME-modus

Bepaalt de conversie van tekens in Oost-Aziatische versies van Windows.

IME-zinmodus

Bepaalt de conversie van zinnen in Oost-Aziatische versies van Windows.

Geïndexeerd

Geeft aan of het veld een index heeft. Er zijn drie mogelijke waarden:

  • Ja (geen duplicaten)   Er wordt een unieke index gemaakt voor het veld.

  • Ja (duplicaten OK)   Er wordt een niet-unieke index gemaakt voor het veld.

  • Niet   Verwijdert een index van het veld.

Opmerking: Wijzig deze eigenschap niet voor een veld dat wordt gebruikt in een primaire sleutel.

Hoewel u een index voor één veld kunt maken door de veldeigenschap Geïndexeerd in te stellen, kunnen bepaalde soorten indexen niet worden gemaakt op deze manier. Zo kunt u een index voor meerdere velden maken door deze eigenschap in te stellen.

Vereist

Vereist dat er gegevens worden ingevoerd in het veld.

Infolabels

Hiermee koppelt u een infolabel aan het veld. Infolabels zijn afgeschaft in Access 2013.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Unicode-compressie

Hiermee wordt tekst die wordt opgeslagen in dit veld gecomprimeerd als er minder dan 4096 tekens worden opgeslagen.

Validatieregel

Een expressie die 'waar' moet zijn wanneer u een waarde aan dit veld toevoegt of de waarde in dit veld wijzigt. Gebruik deze eigenschap in combinatie met de eigenschap Validatietekst.

Validatietekst

Voer het bericht in dat moet worden weergegeven wanneer een ingevoerde waarde in strijd is met de expressie in de eigenschap Validatieregel.

Naar boven

Getal

Doel    Gebruik dit gegevenstype om een numerieke waarde op te slaan die geen monetaire waarde vertegenwoordigt. Als u de waarden in het veld mogelijk gaat gebruiken in een berekening, kiest u het gegevenstype Getal.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Aantal decimalen

Het aantal decimalen dat moet worden gebruikt bij het weergeven van getallen.

Standaardwaarde

Hiermee wordt de opgegeven waarde automatisch toegewezen aan dit veld wanneer er een nieuwe record wordt toegevoegd.

Veldlengte

Selecteer een van de volgende opties:

  • Byte: Voor gehele getallen tussen 0 en 255. De benodigde opslagruimte is één byte.

  • Geheel getal: Voor gehele getallen tussen -32.768 en 32.767. De benodigde opslagruimte is twee bytes.

  • Lange integer: Voor gehele getallen tussen -2.147.483.648 en 2.147.483.647. De benodigde opslagruimte is vier bytes.

    Tip: Gebruik de waarde Lange integer wanneer u een refererende sleutel maakt voor koppeling aan een primaire-sleutelveld van het type AutoNummering in een andere tabel.

  • Enkel: Voor numerieke drijvende-kommawaarden tussen -3,4 x 1038 en 3,4 x 1038 met maximaal zeven significante cijfers. Vereiste opslagruimte is vier bytes.

  • Dubbel: Voor numerieke drijvende-kommawaarden tussen -1,797 x 10308 en 1,797 x 10308 met maximaal vijftien significante cijfers. De benodigde opslagruimte is acht bytes.

  • Replicatie-id   Gebruik deze waarde voor het opslaan van een GUID (Globally Unique IDentifier) die vereist is voor replicatie. De benodigde opslagruimte is 16 bytes. Replicatie wordt niet ondersteund voor de bestandsindeling ACCDB.

  • Decimaal: Voor numerieke waarden tussen -9,999... x 1027 en +9,999... x 1027. De benodigde opslagruimte is 12 bytes.

Tip: Voor de beste prestaties moet u altijd de kleinst mogelijke veldlengte opgeven.

Opmaak

Hiermee bepaalt u hoe het veld eruit ziet wanneer u het veld gaat weergeven of afdrukken in gegevensbladen of in formulieren of rapporten die zijn gebonden aan het veld. U kunt elke geldige getalnotatie gebruiken.

Geïndexeerd

Geeft aan of het veld een index heeft. Er zijn drie mogelijke waarden:

  • Ja (geen duplicaten)   Er wordt een unieke index gemaakt voor het veld.

  • Ja (duplicaten OK)   Er wordt een niet-unieke index gemaakt voor het veld.

  • Niet   Verwijdert een index van het veld.

Opmerking: Wijzig deze eigenschap niet voor een veld dat wordt gebruikt in een primaire sleutel.

Hoewel u een index voor één veld kunt maken door de veldeigenschap Geïndexeerd in te stellen, kunnen bepaalde soorten indexen niet worden gemaakt op deze manier. Zo kunt u een index voor meerdere velden maken door deze eigenschap in te stellen.

Invoermasker

Hiermee kunt u de tekens opgeven die worden weergegeven om de invoer van gegevens te sturen. Een invoermasker kan bijvoorbeeld bestaan uit een euroteken (€) dat aan het begin van het veld wordt weergegeven.

Vereist

Vereist dat er gegevens worden ingevoerd in het veld.

Infolabels

Hiermee koppelt u een infolabel aan het veld. Infolabels zijn afgeschaft in Access 2013.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Validatieregel

Een expressie die 'waar' moet zijn wanneer u een waarde aan dit veld toevoegt of de waarde in dit veld wijzigt. Gebruik deze eigenschap in combinatie met de eigenschap Validatietekst.

Validatietekst

Voer het bericht in dat moet worden weergegeven wanneer een ingevoerde waarde in strijd is met de expressie in de eigenschap Validatieregel.

Naar boven

Groot getal

Doel    Gebruik dit gegevenstype om een grote numerieke waarde op te slaan die geen monetaire waarde vertegenwoordigt. Als u de waarden in het veld mogelijk gaat gebruiken in een berekening, kiest u het gegevenstype Groot getal.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Aantal decimalen

Het aantal decimalen dat moet worden gebruikt bij het weergeven van getallen.

Standaardwaarde

Hiermee wordt de opgegeven waarde automatisch toegewezen aan dit veld wanneer er een nieuwe record wordt toegevoegd.

Opmaak

Hiermee bepaalt u hoe het veld eruit ziet wanneer u het veld gaat weergeven of afdrukken in gegevensbladen of in formulieren of rapporten die zijn gebonden aan het veld. U kunt elke geldige getalnotatie gebruiken.

Geïndexeerd

Geeft aan of het veld een index heeft. Er zijn drie mogelijke waarden:

  • Ja (geen duplicaten)   Er wordt een unieke index gemaakt voor het veld.

  • Ja (duplicaten OK)   Er wordt een niet-unieke index gemaakt voor het veld.

  • Niet   Verwijdert een index van het veld.

Opmerking: Wijzig deze eigenschap niet voor een veld dat wordt gebruikt in een primaire sleutel.

Hoewel u een index voor één veld kunt maken door de veldeigenschap Geïndexeerd in te stellen, kunnen bepaalde soorten indexen niet worden gemaakt op deze manier. Zo kunt u een index voor meerdere velden maken door deze eigenschap in te stellen.

Invoermasker

Hiermee kunt u de tekens opgeven die worden weergegeven om de invoer van gegevens te sturen. Een invoermasker kan bijvoorbeeld bestaan uit een euroteken (€) dat aan het begin van het veld wordt weergegeven.

Vereist

Vereist dat er gegevens worden ingevoerd in het veld.

Infolabels

Hiermee koppelt u een infolabel aan het veld. Infolabels zijn afgeschaft in Access 2013.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Validatieregel

Een expressie die 'waar' moet zijn wanneer u een waarde aan dit veld toevoegt of de waarde in dit veld wijzigt. Gebruik deze eigenschap in combinatie met de eigenschap Validatietekst.

Validatietekst

Voer het bericht in dat moet worden weergegeven wanneer een ingevoerde waarde in strijd is met de expressie in de eigenschap Validatieregel.

Naar boven

OLE-object

Doel    Gebruik dit gegevenstype om een OLE-object, zoals een Microsoft Office Excel-spreadsheet, toe te voegen aan een record. Als u OLE-functies wilt gebruiken, moet u het veld het gegevenstype OLE-object geven.

In de meeste gevallen gebruikt u een bijlageveld in plaats van een OLE-objectveld. OLE-objectvelden ondersteunen minder bestandstypen dan bijlagevelden. Daarnaast kunt u via een OLE-objectveld maar één bestand koppelen aan een record.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Vereist

Vereist dat er gegevens worden ingevoerd in het veld.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Naar boven

Tekst

Doel    Gebruik dit gegevenstype voor het opslaan van maximaal 255 tekens aan tekst. Vanaf Access 2013 is de naam van het gegevenstype Tekst gewijzigd in Korte tekst.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Lengte nul toestaan

Maakt het mogelijk om een tekenreeks met lengte nul ("") in te voeren in een hyperlink-, tekst- of memoveld (door de eigenschap in te stellen op Ja).

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Standaardwaarde

Hiermee wordt de opgegeven waarde automatisch toegewezen aan dit veld wanneer er een nieuwe record wordt toegevoegd.

Veldlengte

Voer een waarde in tussen 1 en 255. Tekstvelden kunnen variëren van 1 tot 255 tekens. Gebruik voor grotere tekstvelden het gegevenstype Memo.

Tip: Voor de beste prestaties moet u altijd de kleinst mogelijke veldlengte opgeven.

Als u bijvoorbeeld postcodes met een vaste lengte opslaat, geeft u die lengte op voor Veldlengte.

Opmaak

Hiermee bepaalt u hoe het veld eruitziet wanneer het wordt weergegeven of afgedrukt in gegevensbladen of in formulieren of rapporten die zijn gebonden aan het veld. U kunt een aangepaste notatie definiëren voor een tekstveld.

IME-modus

Bepaalt de conversie van tekens in Oost-Aziatische versies van Windows.

IME-zinmodus

Bepaalt de conversie van zinnen in Oost-Aziatische versies van Windows.

Geïndexeerd

Geeft aan of het veld een index heeft. Er zijn drie mogelijke waarden:

  • Ja (geen duplicaten)   Er wordt een unieke index gemaakt voor het veld.

  • Ja (duplicaten OK)   Er wordt een niet-unieke index gemaakt voor het veld.

  • Niet   Verwijdert een index van het veld.

Opmerking: Wijzig deze eigenschap niet voor een veld dat wordt gebruikt in een primaire sleutel.

Hoewel u een index voor één veld kunt maken door de veldeigenschap Geïndexeerd in te stellen, kunnen bepaalde soorten indexen niet worden gemaakt op deze manier. Zo kunt u een index voor meerdere velden maken door deze eigenschap in te stellen.

Vereist

Vereist dat er gegevens worden ingevoerd in het veld.

Infolabels

Hiermee koppelt u een infolabel aan het veld. Infolabels zijn afgeschaft in Access 2013.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Unicode-compressie

Hiermee wordt tekst die wordt opgeslagen in dit veld gecomprimeerd als er minder dan 4096 tekens worden opgeslagen.

Validatieregel

Een expressie die 'waar' moet zijn wanneer u een waarde aan dit veld toevoegt of de waarde in dit veld wijzigt. Gebruik deze eigenschap in combinatie met de eigenschap Validatietekst.

Validatietekst

Voer het bericht in dat moet worden weergegeven wanneer een ingevoerde waarde in strijd is met de expressie in de eigenschap Validatieregel.

Naar boven

Ja/nee

Doel    Gebruik dit gegevenstype voor het opslaan van een Booleaanse waarde.

Ondersteunde veldeigenschappen

Eigenschap

Gebruik

Bijschrift

De labeltekst die standaard voor dit veld wordt weergegeven in formulieren, rapporten en query's. Als deze eigenschap leeg is, wordt de naam van het veld gebruikt. Elke tekenreeks is toegestaan.

Een efficiënt bijschrift is meestal kort.

Standaardwaarde

Hiermee wordt de opgegeven waarde automatisch toegewezen aan dit veld wanneer er een nieuwe record wordt toegevoegd.

Opmaak

Hiermee bepaalt u hoe het veld eruit ziet wanneer u het veld gaat weergeven of afdrukken in gegevensbladen of in formulieren of rapporten die zijn gebonden aan het veld. Selecteer een van de volgende opties:

  • Waar/onwaar   De waarde wordt weergegeven als Waar of Onwaar.

  • Ja/nee   De waarde wordt weergegeven als Ja of Nee.

  • Aan/uit   De waarde wordt weergegeven als Aan of Uit.

Geïndexeerd

Geeft aan of het veld een index heeft. Er zijn drie mogelijke waarden:

  • Ja (geen duplicaten)   Er wordt een unieke index gemaakt voor het veld.

  • Ja (duplicaten OK)   Er wordt een niet-unieke index gemaakt voor het veld.

  • Niet   Verwijdert een index van het veld.

Opmerking: Wijzig deze eigenschap niet voor een veld dat wordt gebruikt in een primaire sleutel.

Hoewel u een index voor één veld kunt maken door de veldeigenschap Geïndexeerd in te stellen, kunnen bepaalde soorten indexen niet worden gemaakt op deze manier. Zo kunt u een index voor meerdere velden maken door deze eigenschap in te stellen.

Tekst uitlijnen

De standaarduitlijning van tekst in een besturingselement.

Validatieregel

Een expressie die 'waar' moet zijn wanneer u een waarde aan dit veld toevoegt of de waarde in dit veld wijzigt. Gebruik deze eigenschap in combinatie met de eigenschap Validatietekst.

Validatietekst

Voer het bericht in dat moet worden weergegeven wanneer een ingevoerde waarde in strijd is met de expressie in de eigenschap Validatieregel.

Naar boven

Uw Office-vaardigheden uitbreiden
Training verkennen
Als eerste nieuwe functies krijgen
Deelnemen aan Office Insiders

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback.

Hartelijk dank voor uw feedback! Het lijkt ons een goed idee om u in contact te brengen met een van onze Office-ondersteuningsagents.

×