Een grafiek maken met het webonderdeel Grafiek

Opmerking: We willen u graag zo snel mogelijk de meest recente Help-inhoud in uw eigen taal bieden. Deze pagina is automatisch vertaald en kan grammaticale fouten of onnauwkeurigheden bevatten. Wij hopen dat deze inhoud nuttig voor u is. Kunt u ons onder aan deze pagina laten weten of de informatie nuttig voor u was? Hier is het Engelstalige artikel ter referentie.

Opmerking: In dit artikel is van toepassing op SharePoint 2010-versies. Als u SharePoint Online gebruikt, raadpleegt u het webonderdeel Snelle grafiek gebruiken.

U kunt het webonderdeel grafiek maken en weergeven van een grafiek in een pagina. Webonderdelen van de grafiek zijn handig om visueel dat staat voor gegevens in lijndiagrammen, staafdiagrammen en andere weergaven. Diagrammen, kunt u en andere gebruikers weer te geven van informatie over prestaties in een oogopslag.

Wanneer u maakt en een webonderdeel grafiek aan een pagina toevoegen, doet u dit meestal in verschillende fasen. U kunt eerst een webonderdeel grafiek toevoegen aan een pagina. Vervolgens het webonderdeel grafiek verbinden met een gegevensbron en configureren van de grafiek om gegevens weer te geven. U kunt het uiterlijk van het webonderdeel grafiek ten slotte desgewenst wijzigen.

In dit artikel

Fase 1: Een grafiek-webonderdeel toevoegen aan een pagina met webonderdelen

Fase 2: Verbinding maken met een gegevensbron en configureren van het webonderdeel grafiek

Fase 3: De weergave van het webonderdeel grafiek wijzigen

Fase 1: Een grafiek-webonderdeel toevoegen aan een pagina met webonderdelen

Tijdens deze fase u Maak of open een pagina voor het bewerken en klik vervolgens u een lege grafiek-webonderdeel toevoegen aan de pagina.

  1. Beginnen met een pagina maken of door een bestaande pagina voor het bewerken te openen.

  2. Klik op het tabblad Invoegen op het lint en klik vervolgens in de groep Webonderdelen op Webonderdelen.

  3. Klik in het gedeelte categorieën op Zakelijke gegevens.

  4. Klik in de sectie Webonderdelen op Webonderdeel grafieken klik vervolgens op toevoegen.

  5. Ga verder naar fase 2: verbinding maken met een gegevensbron en configureren van het webonderdeel grafiek.

Naar boven

Fase 2: Verbinding maken met een gegevensbron en configureren van het webonderdeel grafiek

Tijdens deze fase die u kunt een verbinding met gegevensbron selecteren en configureren van het webonderdeel grafiek.

Opmerking: Voordat u begint, zorg dat de pagina met het webonderdeel grafiek is in de bewerkingsmodus werkt.

  1. Zoek het webonderdeel grafiek die u wilt bewerken en klik vervolgens op de hypertext gegevens & weergave .

  2. Klik in de pagina gegevensverbinding en grafiek uiterlijk Wizards , op Grafiek verbinding maken met gegevens om te openen van de Wizard Gegevensverbinding.

  3. Kies een gegevensbron op de pagina Selecteer een gegevensbrontype en klik vervolgens op volgende. U kunt kiezen uit de opties die worden beschreven in de volgende tabel:

Optie

Omschrijving

Verbinding maken met een ander webonderdeel

Gebruik deze optie als u het webonderdeel grafiek verbinden met een ander webonderdeel dat staat voor het verzenden van gegevens is. Voorbeelden van deze webonderdelen zijn een documentbibliotheek of een lijst met contactpersonen.

Opmerking: Zorg ervoor dat het webonderdeel dat u wilt gebruiken al op dezelfde pagina als het webonderdeel grafiek is.

Verbinding maken met een lijst

Gebruik deze optie om verbinding maken met het webonderdeel grafiek aan een lijst die in dezelfde siteverzameling bevindt zich.

Verbinding maken met de catalogus met zakelijke gegevens

Gebruik deze optie naar u het webonderdeel grafiek naar een onderdeel Business Connectivity Services (BCS) verbinding maken. BCS kunt integratie met externe gegevens, inclusief bedrijfstoepassingen. BCS genereert boven aan de catalogus met zakelijke gegevens-technologie die is afgeleverd in Microsoft Office SharePoint Server 2007. Meer informatie over BCS, raadpleegt u plannen voor Business Connectivity Services.

Verbinding maken met Excel Services

Gebruik deze optie als u het webonderdeel grafiek verbinden met een Excel-werkmap die is gepubliceerd naar Excel Services.

  1. Verbinding maken met de gegevensbron op de pagina Selecteer de gegevensbron die u wilt gebruiken en klik vervolgens op volgende.

  2. Voorbeeld van de gegevens die worden gebruikt voor het webonderdeel grafiek op de pagina gegevens ophalen en filteren .

  3. Als u wilt configureren desgewenst parameters om een subset van de gegevens weer te geven, gebruikt u de volgende procedure:

    1. Klik op het plusteken (+) (+) naast Filters om uit te vouwen van de sectie Filter Parameters definiëren .

    2. Gebruik de lijst Parameternaam om een item, zoals een kolom in de gegevensset te selecteren.

    3. Gebruik de lijst Type te selecteren van een juiste operatortype.

    4. Met het vak standaardwaarde kunt u opgeven van het criterium dat u wilt gebruiken voor het filter.

    5. Klik op Voorbeeld van gegevens om de gefilterde gegevens weer te geven.

    6. Herhaal stap 1 tot en met 6 voor elke extra parameter die u wilt gebruiken voor de grafiek.

  4. Nadat u klaar bent met het afdrukvoorbeelden bekijken en de gegevens filteren, klikt u op volgende.

  5. Als desgewenst wilt opgeven hoe u de gegevens die moeten worden weergegeven, gebruikt u de Grafiek aan gegevens binden -pagina. Deze stap herhalen door het opgeven van één kolom voor de Y-velden een andere kolom voor de X-veld.

  6. Klik op Voltooien om weer te geven van de grafiek op de pagina.

Naar boven

Fase 3: De weergave van het webonderdeel grafiek wijzigen

Nadat u een webonderdeel grafiek hebt gemaakt, kunt u wijzigen hoe de grafiek wordt weergegeven. Bijvoorbeeld: u kunt een grafiek selecteren en opgeven van de weergave-instellingen, zoals thema's, de grafiektitel en legenda, assen en rasterlijnen, enzovoort.

Opmerking: Voordat u begint, zorg dat de pagina met het webonderdeel grafiek is in de bewerkingsmodus werkt.

  1. Zoek het webonderdeel grafiek die u wilt bewerken en klik vervolgens op de hypertext gegevens & weergave .

  2. Klik op De grafiek aanpassen om te openen van de Wizard grafiek aanpassen op de pagina gegevensverbinding & grafiek uiterlijk Wizards .

  3. Grafiektype selecteren op de pagina Selecteer een grafiektype met behulp van de volgende procedure:

    1. Klik op de categorie van een grafiek in de sectie Categorieën van het Type grafiek .

    2. Klik in de sectie Grafieksjablonen op een grafieksjabloon

    3. Klik op Volgende.

  4. Selecteer op de pagina Eigenschappen voor grafiekweergave een thema met behulp van de volgende procedure:

    1. Gebruik de thema -lijst te selecteren van een thema voor de grafiek in de sectie Vormgevingsthema .

    2. Als de lijst Stijl van de tekening beschikbaar is, kunt u deze kunt u opgeven hoe u de items in de grafiek wilt weergeven wilt gebruiken. Bijvoorbeeld als u een type cirkeldiagram hebt geselecteerd, kunt klikt u vervolgens u de Tekening stijl lijst kunt u opgeven hoe de buitenrand van de 'cirkel' wordt weergegeven.

    3. Gebruik de lijst Doorzichtigheid in te stellen van het niveau van de doorzichtigheid van kleuren in de grafiek. Selecteer bijvoorbeeld 0% - effen om weer te geven van de grafiek in rijke kleuren en 100% - onzichtbaar voor weergave van de grafiek als transparante (zonder alle kleuren).

  5. Als u wilt opgeven (optioneel) de breedte, hoogte en van de afbeeldingsindeling die u wilt gebruiken voor de grafiek, gebruikt u de sectie grootte en opmaak .

  6. Nadat u de eigenschappen voor grafiekweergave hebt geconfigureerd, klikt u op volgende.

  7. Als u wilt opgeven (optioneel) instellingen, zoals de grafiektitel en de legenda, de assen en de rasterlijnen, gegevenslabels en andere eigenschappen, gebruikt u de pagina Eigenschappen voor grafiekelement .
    Als u wilt een of meer van de eigenschappen voor grafiekelement configureren, selecteer een tabblad en gebruikt u de volgende procedures uit (indien van toepassing):

    Titel en de legenda

Sectie

Procedure

Titels

  1. Schakel het selectievakje Grafiektitel weergeven .

  2. Typ in het vak titel een naam voor de grafiek.

  3. Gebruik de lijst lettertype een lettertype, grootte en stijl voor de grafiektitel te geven.

  4. Gebruik de kleurenlijst te selecteren van een kleur voor de tekst voor de grafiektitel.

  5. Klik in het gedeelte positie op als u wilt opgeven waar u de titel van de grafiek om weer te geven.

  6. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    1. Ga verder naar de sectie legenda .

    2. Klik op een ander tabblad, zoals het tabblad assen en rasterlijnen .

    3. Klik op Voltooien om weer te geven van de grafiek op de pagina.

Legenda

  1. Schakel het selectievakje Legenda weergeven .

  2. Gebruik de lijst Legenda lettertype een lettertype, de grootte en de stijl voor de grafieklegenda opgeven.

  3. Typ in het vak titel een naam voor de legenda van de grafiek.

  4. Gebruik de lijst Titellettertype een lettertype, de grootte en de stijl voor de titel van de grafieklegenda opgeven.

  5. Gebruik de kleurenlijst te selecteren van een kleur voor de tekst van de legenda grafiektitel.

  6. Als u wilt overlay desgewenst de grafieklegenda in het diagram, selecteert u het selectievakje dokken op grafiekgebied .

  7. Met de stijl lijst kunt u opgeven of u de grafieklegenda weergeven als een tabel, een kolom, of als een rij met items wilt.

  8. Klik in het gedeelte positie op als u wilt opgeven waar u de grafieklegenda om weer te geven.

  9. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    1. Klik op een ander tabblad, zoals het tabblad assen en rasterlijnen .

    2. Klik op Voltooien om weer te geven van de grafiek op de pagina.

Assen en rasterlijnen

Sectie

Procedure

X-as
o r
y-as

Opmerking: Afhankelijk van het grafiektype dat wordt gebruikt voor de grafiek, moet u mogelijk of mogelijk geen de mogelijkheid om op te maken van een as of de rasterlijnen. Bijvoorbeeld als de grafiek wordt weergegeven als een cirkeldiagram, zijn geen opties beschikbaar op het tabblad assen en rasterlijnen . Aan de andere kant, als de grafiek worden weergegeven als een staafdiagram, zijn veel opties beschikbaar op het tabblad assen en rasterlijnen .

  1. Gebruik de lijst As weergeven weergeven of verbergen van een as in de sectie x-as (of y-as).

    • Selecteer Auto of waar weer te geven van de as.

    • Selecteer Onwaar verbergen van de as.

  2. Als u wilt een titel voor de as weergeven, gebruikt u de volgende procedure:

    1. Schakel het selectievakje Astitel weergeven .

    2. Typ in het vak titel een naam voor de as.

    3. Gebruik de lijst Lettertype titel om op te geven van een lettertype, de grootte en de stijl voor de naam van de as.

    4. Met de lijst uitlijning kunt u opgeven waar u de naam van de as moet worden weergegeven.

  3. Als namen van items in de as wilt weergeven, gebruikt u de volgende procedure:

    1. Schakel het selectievakje Aslabels weergeven .

    2. Gebruik de lijst lettertype een lettertype, grootte en stijl voor de aslabels te geven.

    3. Gebruik de kleurenlijst te selecteren van een kleur voor de aslabels.

    4. Als u wilt wijzigen (optioneel) hoe de aslabels worden weergegeven, gebruikt u de lijst notatie . U kunt bijvoorbeeld een bepaalde opmaak voor datums, selecteren als de datums worden gebruikt in een as.

    5. Schakel het selectievakje omgekeerde om weer te geven van aslabels aan de bovenkant van de grafiek (dus tegenovergesteld aan de onderkant van het diagram).

    6. Schakel het selectievakje geïnterlinieerd naar gearceerde achtergrond rijen worden weergegeven in de grafiek. Dit is handig als de grafiek groot is of een groot aantal staven of kolommen bevat.

  4. Als u de schaal van de as, Geef een of meer van de volgende opties voor as-instellingen:

    • Schakel het selectievakje beginnen bij nul om op te nemen nul (0) in het bereik van waarden.

    • Schakel het selectievakje logaritmische schaal wijzigen van de schaal van de as van de logaritmische waarden gebruikt in plaats van werkelijke waarden. Dit is handig als de grafiek betrekking hebben op een grote bereik van waarden of wanneer de gelijkmatig verdeelde waarden zijn de nummers die sterk toe vergroten (zoals 1, 10, 100, enzovoort) in plaats van opeenvolgende waarden die lineair vergroten (zoals 1, 2, 3, enz.).

    • Schakel het selectievakje naast marges om op te nemen witruimte aan beide zijden van het eerste en laatste item in de grafiek. Als de grafiek wordt weergegeven verticale balken, kunt u bijvoorbeeld het selectievakje naast marges voor het configureren van de grafiek om weer te geven van de afstand tussen de rand van de grafiek en de randen van de eerste en laatste balken selecteren.

    • De minimale vak gebruiken om op te geven van een minimumwaarde voor de as.

    • Het maximum aantal vak gebruiken om op te geven van een maximale waarde voor de as.

  5. Als u wilt weergeven van rasterlijnen in de grafiek, gebruikt u de volgende procedure:

    1. Schakel het selectievakje Primaire rasterlijnen weergeven . Primaire rasterlijnen weergegeven als effen grijze lijnen in de grafiek en zijn handig om het gemakkelijker om de waarden in niet-geheel exacte grafiek weer te geven.

    2. Typ een getal dat overeenkomt met het interval dat u wilt gebruiken voor de primaire rasterlijnen in het vak Interval voor de primaire rasterlijnen. Als de grafiek worden gegevens in eenheden van 100 weergegeven, kunt u bijvoorbeeld 100 voor het interval om weer te geven van de belangrijkste rasterlijnen typen.

    3. Met de Maatstreepjes lijst kunt u opgeven of en hoe maatstreepjes wordt weergegeven in de grafiek. Maatstreepjes worden weergegeven op een as gemakkelijker om de waarden in niet-geheel exacte grafiek weer te geven.

    4. Als u wilt toevoegen (optioneel) een andere set van rasterlijnen aan de grafiek, schakelt u het selectievakje Secundaire rasterlijnen weergeven . Secundaire rasterlijnen wordt meestal kleinere intervallen dan primaire rasterlijnen gebruiken.

    5. Typ een getal dat overeenkomt met het interval dat u wilt gebruiken voor de secundaire rasterlijnen in het vak Interval voor de secundaire rasterlijnen.

    6. Met de Maatstreepjes lijst kunt u opgeven of en hoe maatstreepjes wordt weergegeven in de grafiek. Maatstreepjes worden weergegeven op een as gemakkelijker om de waarden in niet-geheel exacte grafiek weer te geven.

  6. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    1. Ga verder naar de sectie Secundaire x-as of Secundaire y-as .

    2. Klik op een ander tabblad, zoals het tabblad gegevenslabels en zonder markeringen .

    3. Klik op Voltooien om weer te geven van de grafiek op de pagina.

Secundaire x-as
of
secundaire y-as

Een secundaire x-as is meestal aan de bovenkant van een grafiek, weergegeven terwijl een secundaire y-as meestal aan de rechterkant van de grafiek wordt weergegeven.

Opmerking: Afhankelijk van het grafiektype dat wordt gebruikt voor de grafiek, moet u mogelijk of mogelijk geen de mogelijkheid om een secundaire as of de rasterlijnen.

  1. Gebruik de lijst As weergeven weergeven of verbergen van een secundaire as in de sectie Secundaire x-as (of Secundaire y-as).

    • Selecteer Auto of waar weer te geven van de as.

    • Selecteer Onwaar verbergen van de as.

  2. Als u wilt weergeven in een titel voor de secundaire as, gebruikt u de volgende procedure:

    1. Schakel het selectievakje Astitel weergeven .

    2. Typ in het vak titel een naam voor de as.

    3. Gebruik de lijst Lettertype titel om op te geven van een lettertype, de grootte en de stijl voor de naam van de as.

    4. Met de lijst uitlijning kunt u opgeven waar u de naam van de as moet worden weergegeven.

  3. Als namen van items in de secundaire as wilt weergeven, gebruikt u de volgende procedure:

    1. Schakel het selectievakje Aslabels weergeven .

    2. Gebruik de lijst lettertype een lettertype, grootte en stijl voor de aslabels te geven.

    3. Gebruik de kleurenlijst te selecteren van een kleur voor de aslabels.

    4. Als u wilt wijzigen (optioneel) hoe de aslabels worden weergegeven, gebruikt u de lijst notatie . U kunt bijvoorbeeld een bepaalde opmaak voor datums, selecteren als de datums worden gebruikt in een as.

    5. Schakel het selectievakje omgekeerde om weer te geven van aslabels aan de bovenkant van de grafiek (dus tegenovergesteld aan de onderkant van het diagram).

    6. Schakel het selectievakje geïnterlinieerd naar gearceerde achtergrond rijen worden weergegeven in de grafiek. Dit is handig als de grafiek groot is of een groot aantal staven of kolommen bevat.

  4. Als u de schaal van de secundaire as, Geef een of meer van de volgende opties voor as-instellingen:

    • Schakel het selectievakje beginnen bij nul om op te nemen nul (0) in het bereik van waarden.

    • Schakel het selectievakje logaritmische schaal wijzigen van de schaal van de as van de logaritmische waarden gebruikt in plaats van werkelijke waarden. Dit is handig als de grafiek betrekking hebben op een grote bereik van waarden of wanneer de gelijkmatig verdeelde waarden zijn de nummers die sterk toe vergroten (zoals 1, 10, 100, enzovoort) in plaats van opeenvolgende waarden die lineair vergroten (zoals 1, 2, 3, enz.).

    • Schakel het selectievakje naast marges om op te nemen witruimte aan beide zijden van het eerste en laatste item in de grafiek. Als de grafiek wordt weergegeven verticale balken, kunt u bijvoorbeeld het selectievakje naast marges voor het configureren van de grafiek om weer te geven van de afstand tussen de rand van de grafiek en de randen van de eerste en laatste balken selecteren.

    • De minimale vak gebruiken om op te geven van een minimumwaarde voor de as.

    • Het maximum aantal vak gebruiken om op te geven van een maximale waarde voor de as.

  5. Als u wilt weergeven van rasterlijnen in de grafiek, gebruikt u de volgende procedure:

    1. Schakel het selectievakje Primaire rasterlijnen weergeven . Primaire rasterlijnen weergegeven als effen grijze lijnen in de grafiek en zijn handig om het gemakkelijker om de waarden in niet-geheel exacte grafiek weer te geven.

    2. Typ een getal dat overeenkomt met het interval dat u wilt gebruiken voor de primaire rasterlijnen in het vak Interval voor de primaire rasterlijnen. Als de grafiek worden gegevens in eenheden van 100 weergegeven, kunt u bijvoorbeeld 100 voor het interval om weer te geven van de belangrijkste rasterlijnen typen.

    3. Met de Maatstreepjes lijst kunt u opgeven of en hoe maatstreepjes wordt weergegeven in de grafiek. Maatstreepjes worden weergegeven op een as gemakkelijker om de waarden in niet-geheel exacte grafiek weer te geven.

    4. Als u wilt toevoegen (optioneel) een andere set van rasterlijnen aan de grafiek, schakelt u het selectievakje Secundaire rasterlijnen weergeven . Secundaire rasterlijnen wordt meestal kleinere intervallen dan primaire rasterlijnen gebruiken.

    5. Typ een getal dat overeenkomt met het interval dat u wilt gebruiken voor de secundaire rasterlijnen in het vak Interval voor de secundaire rasterlijnen.

    6. Gebruik de Maatstreepjes lijst kunt u opgeven of en hoe maatstreepjes wordt weergegeven in de grafiek. Maatstreepjes worden weergegeven op een as gemakkelijker om de waarden in niet-geheel exacte grafiek weer te geven.

  6. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    1. Klik op een ander tabblad, zoals het tabblad gegevenslabels en zonder markeringen .

    2. Klik op Voltooien om weer te geven van de grafiek op de pagina.

Gegevenslabels en zonder markeringen

Sectie

Procedure

Etiketten

  1. Schakel het selectievakje Labels weergeven etiketten, zoals waarden, in de grafiek wordt weergegeven.

  2. Gebruik de lijst met Waarden voor Label om te selecteren van het soort labels die u wilt weergeven. Bijvoorbeeld, om weer te geven waarden in de gegevensbron die wordt gebruikt voor de grafiek, selecteert u standaardwaarden weergeven.

  3. Gebruik de lijst lettertype een lettertype, grootte en stijl voor de gegevenslabels te geven.

  4. Gebruik de kleurenlijst te selecteren van een kleur voor de gegevenslabels.

  5. Als u wilt wijzigen (optioneel) de weergave van de gegevenslabels, gebruikt u de lijst notatie . U kunt bijvoorbeeld een bepaalde opmaak voor datums, selecteren als de datums worden gebruikt in de grafiek.

  6. Typ een getal om weer te geven (optioneel) gegevenslabels onder een hoek in de grafiek in het vak Labelhoek . Het nummer dat u invoert overeenkomt met het aantal graden rechtsom dat u wilt weergeven van de gegevenslabels. Als u wilt weergeven van de gegevenslabels in een hoek van lichte, omlaag, u mogelijk Typ bijvoorbeeld '10' in het vak Labelhoek .

  7. Met de lijst Labeluitlijning kunt u opgeven waar u de gegevenslabels wilt weergeven in de grafiek. Bijvoorbeeld als u wilt weergeven in de gegevenslabels buiten werkelijke grafiekwaarden, selecteer buiten in de lijst Labeluitlijning .

  8. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    1. Ga verder naar de sectie Gegevensmarkeringen .

    2. Klik op een ander tabblad, zoals het tabblad Hyperlinks en knopinfo .

    3. Klik op Voltooien om weer te geven van de grafiek op de pagina.

Gegevensmarkeringen

  1. Schakel het selectievakje Markeringen weergeven om te markeren gegevenspunten in de grafiek.

  2. Gebruik de Markering -lijst te selecteren van het type markering die u wilt gebruiken.

  3. Typ in het vak Grootte van de markering wilt opgeven van de grootte (in pixels) van de gegevensmarkeringen die u wilt gebruiken.

  4. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    1. Klik op een ander tabblad, zoals het tabblad Hyperlinks en knopinfo .

    2. Klik op Voltooien om weer te geven van de grafiek op de pagina.

Hyperlinks en knopinfo

Sectie

Procedure

Hyperlinks en Knopinfo

U kunt hyperlinks en knopinfo naar drie soorten items in het webonderdeel grafiek toevoegen:

  • Een grafiekreeks (die overeenkomt met balken in een staafdiagram)

  • De grafieklegenda

  • Gegevenslabels in de grafiek

U kunt hyperlinks gebruiken om gebruikers van de grafiek naar andere sites die aanvullende informatie bevatten te leiden. Knopinfo kunt u opmerkingen of notities weergeven als u meer informatie in de grafiek.

Opmerking: Gebruikers van de grafiek worden alleen weergegeven knopinfo en hyperlinks als ze de muis op een bepaalde grafiekelement plaatst. Bijvoorbeeld om te zien van een reeks knopinfo of klikt u op een hyperlink in een staafdiagram, moet de grafiek-gebruiker plaats de muis op een balk in de grafiek.

  1. Gebruik de lijst Reeks de gegevensreeks die u wilt een hyperlink of knopinfo toevoegen te selecteren.

    Opmerking: Als de grafiek slechts één gegevensreeks bevat, wordt op basis van de Gegevensreeks lijst bevat alleen standaard.

  2. Het vak Reeks Hyperlink gebruiken om op te geven van een websiteadres (URL) op een site, zoals een website of een teamsite. In de grafiek wordt de hyperlink gekoppeld aan de reeksitems, zoals balken in een staafdiagram.

  3. Gebruik het vak Reeks knopinfo typen gegevens, zoals een notitie, die wordt weergegeven wanneer een grafiek-gebruiker de muis op een item reeks, zoals een staaf in een staafdiagram.

  4. Het vak Legenda Hyperlink gebruiken om op te geven van een websiteadres (URL) op een site, zoals een website of een teamsite. In de grafiek wordt de hyperlink gekoppeld aan de legenda van de grafiek.

  5. Gebruik het vak Legenda knopinfo gegevens, zoals een notitie, die wordt weergegeven wanneer een grafiek-gebruiker de muis over de grafieklegenda in te voeren.

  6. Het vak Label Hyperlink gebruiken om op te geven van een websiteadres (URL) op een site, zoals een website of een teamsite. In de grafiek wordt de hyperlink gekoppeld aan gegevenslabels in de grafiek.

  7. Gebruik het vak Label knopinfo typen gegevens, zoals een notitie, die wordt weergegeven wanneer een grafiek-gebruiker de muis op een gegevenslabel in de grafiek.

  8. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    1. Klik op een ander tabblad, zoals het tabblad titel en de legenda .

    2. Klik op Voltooien om weer te geven van de grafiek op de pagina.

Naar boven

Uw Office-vaardigheden uitbreiden
Training verkennen
Als eerste nieuwe functies krijgen
Deelnemen aan Office Insiders

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback.

Hartelijk dank voor uw feedback! Het lijkt ons een goed idee om u in contact te brengen met een van onze Office-ondersteuningsagents.

×