Verbindingslijnen toevoegen tussen shapes in Visio

Belangrijk : Dit artikel is automatisch vertaald, bekijk de disclaimer. De Engelse versie van dit artikel vindt u hier voor referentiedoeleinden.

In Visio kunt u eenvoudig shapes verbinden in de tekening. Met Automatisch verbinden kunt u shapes met elkaar verbinden terwijl u deze toevoegt. Bestaande shapes kunt u verbinden met het hulpmiddel Verbindingslijn.

Dit onderwerp bevat de volgende secties:

Typen verbindingen

Een verbindingslijn kan twee typen verbindingen hebben met een shape: een puntverbinding of een dynamische verbinding. Met een puntverbinding blijft een verbindingslijn vastzitten aan een bepaald punt op de shape, zelfs als de shape wordt verplaatst of gedraaid. Met een dynamische verbinding kan de positie van een verbindingslijn op een shape veranderen wanneer een shape wordt verplaatst of gedraaid, zodat de verbindingslijn wordt verplaatst naar het verbindingspunt op de shape dat het dichtst bij de oorspronkelijke positie van de verbindingslijn ligt.

In het volgende diagram heeft shape A een puntverbinding met shape C. Wanneer C wordt verplaatst, blijft de verbindingslijn van A verbonden met hetzelfde punt op C. Shape B daarentegen heeft een dynamische verbinding met C. De verbindingslijn van B wordt verplaatst naar het dichtstbijgelegen verbindingspunt op C.

A heeft een puntverbinding met C, maar B heeft een dynamische verbinding met C.

U kunt beide typen verbindingen instellen voor beide uiteinden van een verbindingslijn. Als u Automatisch verbinden gebruikt om shapes met elkaar te verbinden, krijgen beide uiteinden een dynamische verbinding. Als u handmatig selecteert waar een verbindingslijn moet worden gekoppeld aan een shape, kunt u het type verbinding opgeven. Zie Shapes verbinden die al op de pagina staan verderop in dit onderwerp voor meer informatie over het opgeven en wijzigen van het type verbinding.

Een shape automatisch verbinden wanneer u deze toevoegt

U kunt shapes in Visio automatisch met elkaar verbinden wanneer u shapes aan een tekening toevoegt. Dit is vooral handig wanneer u een stroomdiagram maakt.

Gebruik de volgende procedure om een shape toe te voegen aan de tekening en deze automatisch te verbinden met een bestaande shape.

Opmerking : Voor deze procedure moet Automatisch verbinden actief zijn. Controleer op het tabblad Beeld in de groep Visuele hulpmiddelen of Automatisch verbinden is geselecteerd.

Een shape toevoegen en deze automatisch verbinden met een bestaande shape
  1. Sleep een shape van het venster Shapes naar de pagina, als er nog geen shapes op de pagina staan.

  2. Houd de aanwijzer boven de beginshape tot er pijlen voor Automatisch verbinden rond de shape worden weergegeven.

    Wanneer Automatisch verbinden actief is, kunt u een shape aanwijzen om verbindingspijlen weer te geven.

    Als u de pijlen voor Automatisch verbinden niet ziet, controleert u op het tabblad Beeld of Automatisch verbinden is geselecteerd.

  3. Houd de aanwijzer boven de pijl in de richting waarin u een shape wilt toevoegen.

    Als u de aanwijzer boven een pijl voor Automatisch verbinden houdt, wordt een werkbalk met shapes weergegeven die u kunt toevoegen.

    Er wordt een miniwerkbalk weergegeven met de eerste vier Snelle shapes die zich momenteel op het stencil Snelle shapes bevinden. Wanneer u een shape aanwijst op de werkbalk, wordt een voorbeeld van deze shape op de pagina weergegeven.

  4. Klik op de shape die u wilt toevoegen.

  5. Als u wilt doorgaan, wijst u een pijl voor Automatisch verbinden aan op een shape die u net hebt toegevoegd om nog een shape toe te voegen die ook automatisch wordt verbonden.

    Als u de zojuist toegevoegde shape aanwijst, worden pijlen voor Automatisch verbinden weergegeven voor het toevoegen van een andere shape.

Opmerking : Als u een andere shape wilt gebruiken dan de shapes op de miniwerkbalk, sleept u de gewenste shape uit het venster Shapes naar de gewenste positie op de pagina. U kunt de shape verbinden met de methode die wordt beschreven in Shapes verbinden die al op de pagina staan, verderop in dit onderwerp.

Shapes verbinden die al op de pagina staan

U kunt shapes die al in uw tekening zijn geplaatst, natuurlijk ook met elkaar verbinden. Dit doet u met Automatisch verbinden of met het hulpmiddel Verbindingslijn.

Wanneer u shapes verbindt, kunt u kiezen uit twee typen verbindingen: een puntverbinding of een dynamische verbinding. Zie Typen verbindingen eerder in dit onderwerp voor meer informatie over deze typen verbindingen.

Als u een puntverbinding wilt maken en de verbindingslijn dus verbonden wilt houden met een specifiek punt op een shape, sleept u van een verbindingspunt op de eerste shape naar een verbindingspunt op de tweede shape. De uiteinden van de verbindingslijn worden groen als de shapes met elkaar zijn verbonden.

Lijm een connector aan een specifiek punt op een shape om de connector aan dat punt vast te maken.
Lijm een connector aan een specifiek punt op een shape om de connector aan dat punt vast te maken.

Als u een dynamische verbinding wilt maken en u dus wilt dat de verbindingslijn automatisch wordt verplaatst naar een punt op de shape dat dichterbij ligt, zet u het hulpmiddel Verbindingslijn boven het midden van de eerste shape tot er een groen vierkantje om de shape wordt weergegeven. Sleep vervolgens naar het midden van de tweede shape. Wanneer er ook een groen vierkantje rond de tweede shape verschijnt, laat u de muisknop los.

Lijm een connector aan een shape om dynamische verplaatsing van de connector toe te staan naar punten op de shape.
Lijm een connector aan een shape om dynamische verplaatsing van de connector toe te staan naar punten op de shape.

Bestaande shapes verbinden met Automatisch verbinden

  1. Houd de aanwijzer boven een shape tot er pijlen van Automatisch verbinden rond de shape worden weergegeven.

    Wanneer Automatisch verbinden actief is, kunt u een shape aanwijzen om verbindingspijlen weer te geven.
  2. Klik en sleep van de pijl van Automatisch verbinden naar een andere shape en plaats het uiteinde van de verbindingslijn in het midden van de shape voor een dynamische verbinding of op een specifiek verbindingspunt op de shape voor een puntverbinding.

    Er wordt een voorbeeld van een shape weergegeven wanneer u de aanwijzer op de pijl van Automatisch verbinden plaatst, maar u kunt de shape negeren. Deze verdwijnt wanneer u de verbindingslijn naar de gewenste positie sleept.

Shapes verbinden met het hulpmiddel Verbindingslijn
  1. Klik op het tabblad Start in de groep Extra op Verbindingslijn.

    Het hulpmiddel Verbindingslijn maakt verbinding met shapes met een puntverbinding aan elk uiteinde.
  2. Klik op een shape en sleep een verbindingslijn naar een andere shape.

  3. Klik als u klaar bent op het tabblad Start in de groep Hulpmiddelen op Aanwijzer.

Snelle taken

Taak

Actie

Het type verbindingslijn wijzigen naar rechte hoeken, recht of gekromd.

Klik met de rechtermuisknop op de verbindingslijn en klik op het type verbindingslijn in het snelmenu: rechte hoek, recht of gekromd.

Lijn de shapes zo uit dat de verbindingslijnen netjes worden weergegeven.

Selecteer alle shapes die u wilt uitlijnen en klik op het tabblad Start in de groep Schikken op Uitlijnen > Automatisch uitlijnen of Positie > Automatisch spatiëren. U kunt meerdere shapes selecteren door Ctrl ingedrukt te houden terwijl u op meerdere shapes klikt of met een van de opties van Selecteren in de groep Bewerken op het tabblad Start.

Een verbinding van dynamisch naar puntverbinding wijzigen, of omgekeerd.

Selecteer de verbindingslijn en sleep het uiteinde van de verbindingslijn weg van de shape. Plaats de verbindingslijn vervolgens op een specifiek punt voor een puntverbinding, of op het midden van de shape voor een dynamische verbinding.

Automatisch verbinden in- of uitschakelen

U kunt Automatisch verbinden in- of uitschakelen voor alle Visio-tekeningen of alleen voor de actieve tekening.

Automatisch verbinden in- of uitschakelen in het actieve diagram
  • Schakel op het tabblad Beeld in de groep Visuele hulpmiddelen het selectievakje Automatisch verbinden in of uit.

    Schakel Automatisch verbinden in of uit op het tabblad Weergave om Automatisch verbinden in of uit te schakelen.

Opmerking : Als het selectievakje Automatisch verbinden niet beschikbaar is, controleert u aan de hand van de volgende procedure of Automatisch verbinden voor alle diagrammen is uitgeschakeld.

Automatisch verbinden in- of uitschakelen in alle diagrammen
  1. Klik op het tabblad Bestand en vervolgens op Opties.

  2. Klik in Visio-opties op Geavanceerd.

  3. Schakel onder Opties voor bewerken het selectievakje Automatisch verbinden inschakelen in om Automatisch verbinden in te schakelen. Schakel het selectievakje Automatisch verbinden uit om Automatisch verbinden uit te schakelen.

    Schakel het vak Automatisch verbinden inschakelen in of uit als u Automatisch verbinden wilt in- of uitschakelen voor alle diagrammen en tekeningen.
  4. Klik op OK.

Opmerking : Disclaimer voor automatische vertaling: Dit artikel is vertaald door een computersysteem zonder menselijke tussenkomst. Microsoft biedt deze automatische vertalingen aan om niet-Engels sprekende gebruikers te helpen de inhoud over producten, services en technologieën van Microsoft te raadplegen. Omdat het artikel automatisch is vertaald, bevat het mogelijk fouten in grammatica, woordenschat en syntaxis.

Was deze informatie nuttig?

Heel goed! Hebt u nog meer feedback?

Wat kunnen we verbeteren?

Bedankt voor uw feedback.

×