Aanmelden

Overzicht van formules

Formules zijn vergelijkingen waarmee berekeningen worden uitgevoerd op de waarden in het werkblad. Een formule begint met een gelijkteken (=). In het onderstaande voorbeeld wordt de waarde 2 vermenigvuldigt met 3 en wordt de waarde 5 bij het resultaat opgeteld.

=5+2*3

Een formule kan ook een of meer van de volgende elementen bevatten: functies, verwijzingen, operatoren en constanten.

Onderdelen van een formule

Onderdelen van een formule

1. Functies: de functie PI() berekent de waarde van pi: 3,142...

2. Verwijzingen: A2 geeft als resultaat de waarde in cel A2.

3. Constanten: cijfers of tekstwaarden die rechtstreeks worden ingevoerd in een formule, zoals 2.

4. Operatoren De operator ^ (caret) verheft een getal tot een macht, en de operator * (sterretje) voert een vermenigvuldiging uit.

In dit artikel

Constanten in formules gebruiken

Operatoren in formules gebruiken

Functies en geneste functies in formules gebruiken

Verwijzingen in formules gebruiken

Namen in formules gebruiken

Matrixformules en matrixconstanten gebruiken

Constanten in formules gebruiken

Een constante is een waarde die niet wordt berekend. De datum 10/9/2008, het getal 210 en de tekst "Kwartaalwinst" zijn allemaal constanten. Een expressie, of een waarde die het resultaat is van een expressie, is geen constante. Als u in de formule constante waarden gebruikt in plaats van verwijzingen naar de cellen (zoals =30+70+110), verandert het resultaat alleen wanneer u de formule zelf wijzigt.

Naar boven

Operatoren in formules gebruiken

Met operatoren geeft u het type berekening op dat u met de elementen in een formule wilt uitvoeren. U kunt de standaardvolgorde waarin de berekeningen worden uitgevoerd wijzigen door haakjes te gebruiken.

Typen operatoren

Er zijn vier typen operators voor berekeningen: rekenkundige operators, vergelijkingsoperators, samenvoegingsoperators en verwijzingsoperators.

Rekenkundige operatoren

Als u rekenkundige basisbewerkingen wilt uitvoeren, zoals optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, en als u getallen wilt combineren of numerieke resultaten wilt produceren, gebruikt u de volgende rekenkundige operatoren.

Rekenkundige operator

Functie

Voorbeeld

+ (plusteken)

Optellen

3+3

– (minteken)

Aftrekken
Negatief

3–1
–1

* (sterretje)

Vermenigvuldigen

3*3

/ (slash)

Delen

3/3

% (procentteken)

Procent

20%

^ (hoedje)

Machtsverheffen

3^2

Vergelijkingsoperatoren

Met de volgende operatoren kunt u twee waarden vergelijken. Wanneer twee waarden worden vergeleken met behulp van deze operatoren,

Vergelijkingsoperator

Functie

Voorbeeld

= (gelijkteken)

Gelijk aan

A1=B1

> (groter-dan-teken)

Groter dan

A1>B1

< (kleiner-dan-teken)

Kleiner dan

A1<B1

>= (groter-dan-of-gelijk-aan-teken)

Groter dan of gelijk aan

A1>=B1

<= (kleiner-dan-of-gelijk-aan-teken)

Kleiner dan of gelijk aan

A1<=B1

<> (niet-gelijk-aan-teken)

Niet gelijk aan

A1<>B1

is het resultaat de logische waarde WAAR of ONWAAR.

Samenvoegingsoperatoren

Met het en-teken (&) combineert u een of meer tekstreeksen tot één tekstfragment.

Tekstoperator

Functie

Voorbeeld

&

Koppelt of verbindt twee waarden tot één tekstwaarde.

"Noorden"&"wind"

Verwijzingsoperatoren

Met de volgende verwijzingsoperatoren combineert u celbereiken voor berekeningen.

Verwijzingsoperator

Functie

Voorbeeld

: (dubbele punt)

De bereikoperator, waarmee één celverwijzing naar alle cellen tussen twee verwijzingen wordt gemaakt, inclusief de twee verwijzingen

B5:B15

; (puntkomma)

De verenigingsoperator, waarmee meerdere verwijzingen tot één verwijzing worden gecombineerd

SOM(B5:B15;D5:D15)

(spatie)

De doorsnede-operator, waarmee één verwijzing naar de gemeenschappelijke cellen van de twee verwijzingen wordt gemaakt

B7:D7 C6:C8

De volgorde waarin bewerkingen in formules door Excel worden uitgevoerd

In sommige gevallen kan de volgorde waarin een berekening wordt uitgevoerd gevolgen hebben voor het resultaat van een formule. Het is dus belangrijk dat u begrijpt welke volgorde wordt aangehouden en hoe u de volgorde kunt wijzigen om het gewenste resultaat te verkrijgen.

Volgorde van berekeningen

Met formules worden waarden altijd in een bepaalde volgorde berekend. Een formule in Excel begint altijd met het gelijkteken (=). Het gelijkteken geeft aan dat de volgende tekens een formule vormen. Na het gelijkteken komen de elementen die moeten worden berekend (de operanden). Deze worden gescheiden door berekeningsoperatoren. In Excel wordt een formule van links naar rechts berekend, op basis van een bepaalde volgorde voor elke operator in de formule.

Operatorvolgorde

Als u diverse operatoren in een formule combineert, worden de bewerkingen in Excel uitgevoerd in de volgorde van de volgende tabel. Als een formule operatoren met dezelfde prioriteit bevat (bijvoorbeeld een formule met zowel een vermenigvuldigingsoperator als een deeloperator), worden de operatoren van links naar rechts geëvalueerd.

Operator

Beschrijving

: (dubbele punt)

  (één spatie)

. (punt)

Verwijzingsoperatoren

Negatief maken (bijvoorbeeld –1)

%

Percentage

^

Machtsverheffen

* en /

Vermenigvuldigen en delen

+ en –

Optellen en aftrekken

&

Twee tekenreeksen aan elkaar koppelen

=
< >
<=
>=
<>

Vergelijking

Het gebruik van haakjes

Als u de evaluatievolgorde wilt wijzigen, plaatst u het deel van de formule dat u als eerste wilt berekenen tussen haakjes. Zo levert de volgende formule 11 op omdat in Excel vermenigvuldigen voor optellen gaat. In de formule wordt 2 vermenigvuldigd met 3 en wordt 5 bij het resultaat opgeteld.

=5+2*3

Als u daarentegen de syntaxis verandert door haakjes te gebruiken, wordt eerst 2 opgeteld bij 5 en wordt de som met 3 vermenigvuldigd, met 21 als resultaat.

=(5+2)*3

In het volgende voorbeeld zorgen de haakjes rond het eerste deel van de formule ervoor dat B4+25 eerst wordt berekend en dat het resultaat hiervan wordt gedeeld door de som van de waarden in de cellen D5, E5 en F5.

=(B4+25)/SOM(D5:F5)

Naar boven

Functies en geneste functies in formules gebruiken

Functies zijn vooraf gedefinieerde formules die berekeningen uitvoeren met gebruik van specifieke waarden, die argumenten worden genoemd, in een specifieke volgorde of structuur. U kunt functies gebruiken voor het uitvoeren van eenvoudige of complexe berekeningen.

De syntaxis van functies

Het volgende voorbeeld van de functie AFRONDEN waarmee het getal in cel A10 wordt afgerond, toont de syntaxis van een functie.

De structuur van een functie

De structuur van een functie

1. Structuur. Een functie begint altijd met een gelijkteken (=), gevolgd door de functienaam, een haakje openen, de argumenten voor de functie gescheiden door puntkomma's en een haakje sluiten.

2. Functienaam. Klik op een cel en druk op Shift+F3 om een lijst met de beschikbare functies weer te geven.

3. Argumenten. Argumenten kunnen bestaan uit getallen, tekst, logische waarden zoals WAAR of ONWAAR, matrices, foutwaarden zoals #N/B of celverwijzingen. Het argument dat u opgeeft, moet een geldige waarde voor dat argument opleveren. U kunt ook constanten, formules of andere functies als argumenten gebruiken.

4. Knopinfo voor argumenten. Wanneer u de functie typt, wordt knopinfo met de syntaxis en argumenten weergegeven. Typ bijvoorbeeld =AFRONDEN( en de knopinfo verschijnt. Knopinfo is alleen beschikbaar voor ingebouwde functies.

Functies invoeren

Wanneer u een formule met een functie maakt, kunt u het dialoogvenster Functie invoegen gebruiken bij het invoeren van werkbladfuncties. Als u een functie invoert in de formule, worden in het dialoogvenster Functie invoegen de naam van de functie weergegeven, de verschillende argumenten, een beschrijving van de functie en de argumenten, het huidige resultaat van de functie en het huidige resultaat van de gehele formule.

Gebruik de functie Automatisch aanvullen voor formules om het invoeren van formules te vereenvoudigen en het aantal invoer- en syntaxisfouten tot een minimum te beperken. Nadat u een = (gelijkteken) en de beginletters of een weergave-initiator hebt getypt, verschijnt er in Microsoft Office Excel een dynamische vervolgkeuzelijst met geldige functies, argumenten en namen die met de letters of weergave-initiator overeenkomen. Vervolgens kunt u een vermelding uit de vervolgkeuzelijst in de formule opnemen.

Functies nesten

Het kan soms nodig zijn om een functie te gebruiken als een van de argumenten van een andere functie. In de volgende formule wordt bijvoorbeeld een geneste functie GEMIDDELDE gebruikt en wordt het resultaat vergeleken met de waarde 50.

Geneste functies

1. De functies GEMIDDELDE en SOM zijn genest in de functie ALS.

Geldige resultaten      Wanneer een geneste functie als argument wordt gebruikt, moet deze resulteren in het waardetype van het argument. Als het argument bijvoorbeeld resulteert in de waarde WAAR of ONWAAR, moet de geneste functie eveneens WAAR of ONWAAR opleveren. Als dat niet het geval is, wordt de foutwaarde #WAARDE! weergegeven.

Beperkingen bij het nesten van functies      Een formule kan tot zeven niveaus van geneste functies bevatten. Wanneer functie B als argument in functie A wordt gebruikt, is functie B een functie op het tweede niveau. Zo zijn GEMIDDELDE en SOM beide functies op het tweede niveau, omdat het argumenten zijn van de functie ALS. Een geneste functie binnen de functie GEMIDDELDE zou een functie op het derde niveau zijn, enzovoort.

Naar boven

Verwijzingen in formules gebruiken

Een verwijzing wordt gebruikt om een cel of een cellenbereik in een werkblad aan te geven waarin zich de waarden of gegevens bevinden die u in een formule wilt gebruiken. Met verwijzingen kunt u gegevens in verschillende delen van een werkblad in een formule gebruiken of de waarde uit één cel in verschillende formules gebruiken. U kunt ook naar cellen in andere werkbladen van dezelfde werkmap en naar andere werkmappen verwijzen. Verwijzingen naar cellen in andere werkmappen worden koppelingen of externe verwijzingen genoemd.

De verwijzingsstijl A1

Het standaardverwijzingstype     Standaard wordt in Excel het verwijzingstype A1 gebruikt. Hierbij worden kolommen aangeduid met letters (A tot en met XFD voor in totaal 16.384 kolommen) en rijen met nummers (1 tot en met 1.048.576). Deze letters en cijfers worden rij- en kolomkoppen genoemd. Als u naar een cel wilt verwijzen, voert u de kolomletter in gevolgd door het rijnummer. B2 verwijst bijvoorbeeld naar de cel op het snijpunt van kolom B en rij 2.

Als u wilt verwijzen naar

Gebruik

De cel in kolom A en rij 10

A10

Het celbereik in de kolom A en de rijen 10 tot en met 20

A10:A20

Het celbereik in rij 15 en de kolommen B tot en met E

B15:E15

Alle cellen in rij 5

05:05:00

Alle cellen in de rijen 5 tot en met 10

5:10

Alle cellen in kolom H

H:H

Alle cellen in de kolommen H tot en met J

H:J

Het celbereik in de kolommen A tot en met E en de rijen 10 tot en met 20

A10:E20

Een verwijzing naar een ander werkblad maken     In het volgende voorbeeld wordt met de werkbladfunctie GEMIDDELDE de gemiddelde waarde van het bereik B1:B10 op het werkblad Marketing in dezelfde werkmap berekend.

Voorbeeld van een bladverwijzing

Verwijzingen naar een celbereik op een ander werkblad in dezelfde werkmap

1. Verwijst naar het werkblad met de naam Marketing

2. Verwijst naar het celbereik B1 tot en met B10

3. Scheidt de verwijzing naar het werkblad van de verwijzing naar het celbereik

Het verschil tussen relatieve, absolute en gemengde verwijzingen

Relatieve verwijzingen     Een relatieve celverwijzing in een formule, zoals A1, is gebaseerd op de relatieve positie van de cel met de formule en de cel waarnaar wordt verwezen. Als de positie van de cel met de formule verandert, wordt de verwijzing gewijzigd. Als u de formule kopieert of doorvoert in rijen of kolommen, wordt de verwijzing automatisch aangepast. In nieuwe formules worden standaard relatieve verwijzingen gebruikt. Als u een relatieve verwijzing in cel B2 bijvoorbeeld kopieert of doorvoert naar cel B3, wordt deze automatisch aangepast van =A1 naar =A2.

Gekopieerde formule met relatieve verwijzing

Gekopieerde formule met relatieve verwijzing

Absolute verwijzingen     Een absolute celverwijzing in een formule, zoals $A$1, verwijst altijd naar een cel op een specifieke locatie. Als de positie van de cel met de formule verandert, blijft de absolute verwijzing hetzelfde. Als u de formule kopieert of doorvoert in rijen of kolommen, wordt de absolute verwijzing niet aangepast. Voor nieuwe formules worden standaard relatieve verwijzingen gebruikt en deze zult u dus moeten omzetten in absolute verwijzingen. Als u een absolute verwijzing in cel B2 bijvoorbeeld kopieert of doorvoert in cel B3, blijft deze in beide cellen gelijk, namelijk =$A$1.

Gekopieerde formule met absolute verwijzing

Gekopieerde formule met absolute verwijzing

Gemengde verwijzingen     Een gemengde verwijzing heeft ofwel een absolute kolom en een relatieve rij, ofwel een absolute rij en een relatieve kolom. Een absolute kolomverwijzing heeft de vorm $A1, $B1, enzovoort. Een absolute rijverwijzing heeft de vorm A$1, B$1, enzovoort. Als de positie van de cel met de formule verandert, wordt de relatieve verwijzing gewijzigd en de absolute verwijzing niet. Als u de formule kopieert of doorvoert in rijen of kolommen, wordt de relatieve verwijzing automatisch aangepast en de absolute verwijzing niet. Als u bijvoorbeeld een gemengde verwijzing van cel A2 kopieert of doorvoert in cel B3, wordt deze verwijzing aangepast van =A$1 naar =B$1.

Gekopieerde formule met gemengde verwijzing

Gekopieerde formule met gemengde verwijzing

De 3D-verwijzingsstijl

Snel verwijzingen maken naar meerdere werkbladen    Als u gegevens in dezelfde cel of hetzelfde cellenbereik in meerdere werkbladen van de werkmap wilt analyseren, gebruikt u een 3D-verwijzing. Een 3D-verwijzing bevat de cel of het cellenbereik, voorafgegaan door een bereik van werkbladnamen. Excel gebruikt alle werkbladnamen van de eerste tot en met de laatste naam in de verwijzing. Zo telt u met =SOM(Blad2:Blad13!B5) alle waarden op in cel B5 van alle werkbladen van Blad2 tot en met Blad13.

  • Met 3D-verwijzingen kunt u verwijzen naar cellen op andere bladen, namen definiëren en formules maken met de volgende functies: SOM, GEMIDDELDE, GEMIDDELDEA, AANTAL, AANTALARG, MAX, MAXA, MIN, MINA, PRODUCT, STDEV, STDEVA, STDEVP, STDEVPA, VAR, VARA, VARP en VARPA.

  • U kunt geen 3D-verwijzingen gebruiken in matrixformules.

  • U kunt geen 3D-verwijzingen gebruiken in combinatie met de operator (een enkele spatie) of in formules met impliciet snijpunt.

Wat gebeurt er als u werkbladen verplaatst, kopieert, invoegt of verwijdert     In de volgende voorbeelden wordt uitgelegd wat er gebeurt wanneer u werkbladen verplaatst, kopieert, invoegt of verwijdert die in een 3D-verwijzing voorkomen. In de voorbeelden worden met de formule =SOM(Blad2:Blad6!A2:A5) de waarden in de cellen A2 tot en met A5 op de werkbladen 2 tot en met 6 opgeteld.

  • Invoegen of kopiëren      Als u bladen tussen Blad2 en Blad6 (het begin- en eindpunt in dit voorbeeld) invoegt of kopieert, worden alle waarden in de cellen A2 tot en met A5 in de toegevoegde bladen in de berekening opgenomen.

  • Verwijderen     Als u bladen tussen Blad2 en Blad6 verwijdert, worden de waarden in die bladen niet meer in de berekening opgenomen.

  • Verplaatsen      Als u bladen tussen Blad2 en Blad6 verplaatst naar een locatie buiten het bereik waarnaar wordt verwezen, worden de waarden niet meer in de berekening opgenomen.

  • Een eindpunt verplaatsen      Als u Blad2 of Blad6 naar een andere locatie in dezelfde werkmap verplaatst, wordt de berekening aangepast zodat een nieuw bereik voor de berekening wordt gebruikt.

  • Een eindpunt verwijderen     Als u blad2 of Blad6 verwijdert, wordt de berekening aan het bereik van de bladen aangepast.

De verwijzingsstijl R1K1

U kunt ook een verwijzingsstijl hanteren waarbij zowel de rijen als de kolommen in het werkblad zijn genummerd. De stijl R1K1 is handig voor het berekenen van rij- en kolomposities in macro's. Bij de stijl R1K1 wordt de locatie van een cel aangegeven met een 'R', gevolgd door het rijnummer en een 'K', gevolgd door het kolomnummer.

Verwijzing

Functie

R[-2]K

Een relatieve verwijzing naar de cel die zich twee rijen hoger in dezelfde kolom bevindt.

R[2]K[2]

Een relatieve verwijzing naar de cel die zich twee rijen lager en twee kolommen naar rechts bevindt.

R2K2

Een absolute verwijzing naar de cel die zich in de tweede rij en de tweede kolom bevindt.

R[-1]

Een relatieve verwijzing naar de hele rij die zich boven de actieve cel bevindt.

R

Een absolute verwijzing naar de huidige rij.

Wanneer u een macro opneemt, worden in Excel voor sommige opdrachten R1K1-verwijzingen gebruikt. Als u bijvoorbeeld een opdracht opneemt als klikken op de knop AutoSom om een formule in te voegen waarmee een cellenbereik wordt opgeteld, wordt de formule opgenomen met R1K1-verwijzingen en niet met A1-verwijzingen.

U kunt het R1K1-verwijzingstype in- of uitschakelen met het selectievakje Verwijzingstype R1K1 in de sectie Werken met formules in de categorie Formules van het dialoogvenster Opties voor Excel dat u opent met de Microsoft Office-knop afbeelding office-knop.

Naar boven

Namen in formules gebruiken

U kunt gedefinieerde namen opgeven voor cellen, celbereiken, formules, constante waarden of Excel-tabellen. Een naam is een betekenisvolle afkorting waarmee het doel van een celverwijzing, constante, formule of tabel gemakkelijker te begrijpen is, terwijl deze in eerste instantie mogelijk moeilijk te begrijpen zijn. Hieronder ziet u gangbare voorbeelden van namen en de manier waarop ze de duidelijkheid en het begrip kunnen vergroten.

Type voorbeeld

Voorbeeld zonder naam

Voorbeeld met naam

Verwijzing

=SOM(C20:C30)

=SOM(OmzetEersteKwartaal)

Constante

=PRODUCT(A5,8,3)

=PRODUCT(Prijs,Omzetbelasting)

Formule

=SOM(VERT.ZOEKEN(A1;B1:F20;5;ONWAAR);G5)

=SOM(Inventarisniveau;Orderbedrag)

Tabel

C4:G36

=TopOmzet06

Typen namen

U kunt verschillende soorten namen maken en gebruiken.

Gedefinieerde naam     Een naam die een cel, cellenbereik, formule, of constante waarde vertegenwoordigt. U kunt uw eigen gedefinieerde naam maken en Excel maakt soms een gedefinieerde naam voor u, zoals wanneer u een afdrukbereik instelt.

Tabelnaam     Een naam voor een Excel-tabel. Dit is een verzameling gegevens over een bepaald onderwerp die wordt opgeslagen in records (rijen) en velden (kolommen). Excel maakt de standaard Excel-tabelnaam "Tabel1", "Tabel2" enzovoort, telkens wanneer u een Excel-tabel invoegt, maar u kunt de naam wijzigen, zodat deze betekenisvoller is. Zie Gestructureerde verwijzingen in combinatie met Excel-tabellen gebruiken voor meer informatie over Excel-tabellen.

Namen maken en invoeren

U kunt als volgt een naam maken:

  • Via het vak Naam op de formulebalk     Deze methode wordt bij voorkeur gebruikt voor het maken van een naam op werkmapniveau voor een geselecteerd bereik.

  • Naam maken van selectie    U kunt namen maken van bestaande rij- en kolomlabels door geselecteerde cellen in het werkblad te gebruiken.

  • Dialoogvenster Nieuwe naam     U kunt deze methode het beste gebruiken wanneer u meer flexibiliteit wilt bij het maken van namen, zoals wanneer u het bereik voor een lokaal werkblad opgeeft of een naam voor een opmerking maakt.

Opmerking : Namen gebruiken standaard absolute celverwijzingen.

U kunt op de volgende manieren een naam invoeren:

  • Via typen    Typ bijvoorbeeld de naam als argument in een formule.

  • Formule automatisch aanvullen     Gebruik de vervolgkeuzelijst Formule automatisch aanvullen, waarin automatisch geldige namen worden vermeld.

  • Selecteren via de opdracht Gebruiken in formule    Selecteer een gedefinieerde naam in de lijst die beschikbaar is via de opdracht Gebruiken in formule in de groep Gedefinieerde namen op het tabblad Formule.

Zie Namen gebruiken om formules te verduidelijken voor meer informatie.

Naar boven

Matrixformules en matrixconstanten gebruiken

Een matrixformule kan meerdere berekeningen uitvoeren en ofwel een enkel resultaat ofwel meerdere resultaten berekenen. Matrixformules werken met twee of meer reeksen waarden, matrixargumenten genoemd. Elk matrixargument moet hetzelfde aantal rijen en kolommen hebben. U maakt matrixformules op dezelfde wijze als andere formules, behalve dat u op Ctrl+Shift+ENTER moet drukken om de formule in te voeren. Sommige ingebouwde functies zijn matrixformules. U moet deze als matrices invoeren om de juiste resultaten te krijgen.

Matrixconstanten kunt u gebruiken in plaats van verwijzingen wanneer u de waarden van constanten niet afzonderlijk wilt invoeren in cellen op het werkblad.

Een matrixformule gebruiken om enkele of meerdere resultaten te berekenen

Wanneer u een matrixformule opgeeft, wordt de formule automatisch tussen { } (accolades) geplaatst.

Een enkel resultaat berekenen      Met dit type matrixformule kunt u een werkbladmodel vereenvoudigen door een aantal verschillende formules te vervangen door één matrixformule.

Met de volgende formule berekent u de totale waarde van een matrix met prijzen en aandelen van certificaten zonder een rij cellen te gebruiken voor het berekenen en weergeven van de individuele waarden voor elk certificaat.

Matrixformule die één resultaat oplevert

Matrixformule die één resultaat oplevert

Wanneer u de formule ={SOM(B2:D2*B3:D3)} opgeeft als een matrixformule, worden de waarden voor Aandelen en Prijs voor elk certificaat vermenigvuldigd en de resultaten van die berekeningen opgeteld.

Meerdere resultaten berekenen      Sommige werkbladfuncties geven waardenmatrices als resultaat of moeten een matrix van waarden als argument hebben. Als u meerdere resultaten wilt berekenen met een matrixformule, moet u de matrix invoeren in een bereik van cellen dat hetzelfde aantal rijen en kolommen heeft als de matrixargumenten.

Bij een reeks van drie verkoopcijfers (in kolom B) voor een reeks van drie maanden (in kolom A) bepaalt de functie TREND de lineaire waarden voor de verkoopcijfers. Alle resultaten van de formule worden in drie cellen in kolom C weergegeven (C1:C3).

Matrixformule die meerdere resultaten oplevert

Matrixformule die meerdere resultaten oplevert

Wanneer u de formule =TREND(B1:B3,A1:A3) opgeeft als een matrixformule, levert deze drie afzonderlijke resultaten op (22196, 17079 en 11962) op basis van de drie verkoopcijfers en de drie maanden.

Matrixconstanten gebruiken

In een gewone formule kunt u een verwijzing invoeren naar een cel met een waarde, of naar de waarde zelf, ook wel een constante genoemd. Zo kunt u in een matrixformule een verwijzing invoeren naar een matrix, of u kunt de matrix met waarden in de cellen invoeren (ook wel een matrixconstante genoemd). Matrixformules verwerken constanten op dezelfde manier als gewone formules, maar u moet de matrixconstanten in een bepaalde notatie invoeren.

Matrixconstanten kunnen getallen, tekst, logische waarden zoals WAAR of ONWAAR of foutwaarden zoals #N/B bevatten. Eén matrixconstante kan verschillende typen waarden bevatten, bijvoorbeeld {1,3,4;WAAR,ONWAAR,WAAR}. Getallen in matrixconstanten kunnen hele getallen zijn of een decimale of wetenschappelijke notatie hebben. Tekst moet tussen dubbele aanhalingstekens staan, bijvoorbeeld 'dinsdag'.

Matrixconstanten mogen geen celverwijzingen, kolommen of rijen van ongelijke lengte, formules of de speciale tekens $ (dollarteken), haakjes of % (procentteken) bevatten.

Als u matrixconstanten wijzigt, moet u rekening houden met het volgende:

  • Plaats de matrixconstanten tussen accolades ( { } ).

  • Plaats een komma (,) tussen de waarden in verschillende kolommen. De waarden 10, 20, 30 en 40 voert u bijvoorbeeld in als {10,20,30,40}. Deze matrixconstante wordt een 1-bij-4-matrix genoemd en is hetzelfde als een verwijzing naar 1 rij met vier kolommen.

  • Plaats een puntkomma (;) tussen de waarden in verschillende rijen. Als u de waarden 10, 20, 30 en 40 in één rij en de waarden 50, 60, 70 en 80 in de rij eronder wilt weergeven, voert u de 2-bij-4-matrixconstante {10,20,30,40;50,60,70,80} in.

Naar boven



Was deze informatie nuttig?

Wat kan er beter?

Wat kan er beter?

Voeg ter bescherming van uw privacy geen contactgegevens aan uw feedback toe. Beoordeel onze privacybeleid.

Bedankt voor uw feedback.