Expressies maken

Belangrijk : Dit artikel is automatisch vertaald, bekijk de disclaimer. De Engelse versie van dit artikel vindt u hier voor referentiedoeleinden.

In dit artikel wordt uitgelegd hoe u expressies kunt maken en gebruiken in Microsoft Access-databases. U gebruikt expressies om veel van dezelfde taken uit te voeren waarvoor u formules gebruikt in Microsoft Excel. In dit artikel wordt beschreven waar u expressies kunt gebruiken, afhankelijk van de specifieke taak die u wilt uitvoeren. U vindt hier ook instructies voor het handmatig samenstellen van expressies en hoe u expressies kunt maken met de opbouwfunctie voor expressies.

In dit artikel

Overzicht van expressies

Een berekend besturingselement in een formulier of rapport maken

Een berekend veld in een query maken

Expressies gebruiken als querycriteria

Gegevens in een tabelveld valideren

Gegevens valideren in een besturingselement in een formulier of rapport

Een standaardwaarde instellen voor een tabelveld

Een standaardwaarde instellen voor een besturingselement in een formulier of rapport

Expressies gebruiken om macroacties uit te voeren

Gegevens groeperen en sorteren in een rapport met behulp van een expressie

Expressies maken met de opbouwfunctie voor expressies

Tabel met operatoren

Overzicht van expressies

Een expressie is een combinatie van bepaalde of alle volgende items: ingebouwde of door de gebruiker gedefinieerde functies, id's, operatoren en constanten. Elke expressie levert één waarde op.

De onderdelen van een expressie

De volgende expressie bevat bijvoorbeeld alle vier deze elementen:

= Som( [Inkoopprijs])*0,08

In dit voorbeeld is Som() een ingebouwde functie, [Inkoopprijs] een aanduiding of id, * een rekenkundige operator en 0,08 een constante. Deze expressie kan worden gebruikt in een tekstvak in een formuliervoettekst of rapportvoettekst om de btw te berekenen voor een groep artikelen.

Expressies kunnen veel ingewikkelder of eenvoudiger zijn dan dit voorbeeld. De volgende Booleaans expressie bestaat bijvoorbeeld alleen uit een operator en een constante:

>0

Deze expressie retourneert Waar wanneer deze wordt vergeleken met een getal dat groter is dan 0, en retourneert Onwaar wanneer deze wordt vergeleken met een getal dat kleiner is dan 0 of gelijk is aan 0. U kunt deze expressie gebruiken voor de eigenschap Validatieregel van een besturingselement of tabelveld om ervoor te zorgen dat alleen positieve waarden worden ingevoerd.

In de volgende tabel ziet u meer voorbeelden van expressies:

Expressie

Doel

=[Vervaldatum]-[Leverdatum]

U kunt aanduidingen van elkaar aftrekken om het verschil te berekenen tussen de waarden in twee tekstvakken in een rapport.

Datum()

Met de functie Datum kunt u de standaardwaarde voor een veld in een tabel instellen op de huidige datum.

Totaalprijs: CCur([Detailgegevens order].PrijsPerEenheid*[Hoeveelheid]*(1-[Korting])/100)*100

Met behulp van functies, aanduidingen en constanten kunt u een berekend veld met de naam Totaalprijs maken in een query. Gebruik de functie CCur om het resultaat van de berekening te converteren naar het gegevenstype Valuta.

Between #1/1/2010# And #31/12/2010#

Met behulp van datumconstanten (tussen hekjes om aan te geven dat deze moeten worden behandeld als datums) kunt u criteria invoeren voor een datum/tijd-veld in een query.

=[Subformulier Inkooporders].Formulier!Ordersubtotaal

Door de volledige aanduiding voor het besturingselement Ordersubtotaal te gebruiken op het subformulier Inkooporders kunt u de waarde van het besturingselement weergeven op het hoofdformulier.

=Format(Datum(),"d mmmm jjjj")

Met behulp van de functie Format kunt u een datum op verschillende manieren opmaken: 'mmmm' geeft aan dat de naam van de maand moet worden uitgeschreven, 'd' dat de dag met 1 of 2 cijfers wordt aangegeven en 'jjjj' dat het jaar wordt weergegeven met 4 cijfers. Als u deze expressie bijvoorbeeld toepast op 8/2/2006, is het resultaat '8 februari 2006'.

Zoals u kunt zien in de bovenstaande tabel, worden expressies op veel plaatsen gebruikt om berekeningen uit te voeren, tekens te bewerken of gegevens te testen. Tabellen, query's, formulieren, rapporten en macro's hebben eigenschappen waarmee een expressie wordt geaccepteerd. Enkele voorbeelden:

  • De eigenschappen Besturingselementbron en Standaardwaarde voor een besturingselement

  • De eigenschap Validatieregel voor een tabelveld

  • De rij Veld of Criteria van een query

  • Een macro of Microsoft Visual Basic for Applications-module (VBA)

In de volgende secties wordt beschreven hoe u expressies het beste kunt gebruiken.

Naar boven

Een berekend besturingselement in een formulier of rapport maken

Wanneer u een expressie gebruikt als de gegevensbron voor een besturingselement, spreken we van een berekend besturingselement. Stel dat u een bestelformulier hebt met meerdere voorraadbeheerrecords en dat u in de voettekst van het formulier het subtotaal wilt opnemen van alle regelitems op het formulier.

subtotaal op een bestelformulier

Als u het subtotaal wilt berekenen, plaatst u een tekstvakbesturingselement in de voettekst van het formulier en stelt u de eigenschap Besturingselementbron van het tekstvak in op de volgende expressie:

= Som( [ tabelveld ])

In dit geval staat tabelveld voor de naam van het veld dat de waarden van het subtotaal bevat. Dit veld kan afkomstig zijn uit een tabel of een query. Met de functie Som berekent u het totaal voor een reeks waarden uit de recordbron.

Hierna wordt uitgelegd hoe u een expressie in een tekstvakbesturingselement kunt invoeren.

Een expressie invoeren in een tekstvakbesturingselement

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op het formulier dat u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave.

  2. Klik met de rechtermuisknop op het tekstvak dat u wilt wijzigen en klik vervolgens op Eigenschappen.

  3. Als u handmatig een expressie wilt maken, klikt u op het tabblad Gegevens van het eigenschappenvenster op de eigenschap Besturingselementbron van het tekstvak. Typ vervolgens = gevolgd door de rest van de expressie. Als u bijvoorbeeld het bovenstaande subtotaal wilt berekenen, typt u =Som([tabelveld]). Let erop dat u tabelveld vervangt door de naam van uw eigen veld.

  4. Als u een expressie wilt maken met de opbouwfunctie voor expressies, klikt u op de knop Opbouwen Knop Opbouwfunctie in het eigenschappenvak.

    Het eigenschappenvenster ziet er nu ongeveer zo uit:

    Een voorbeeldexpressie in de eigenschap Besturingselementbron.

Naar boven

Een berekend veld in een query maken

U kunt met behulp van een expressie een berekend veld maken in een query. Stel dat u een query ontwerpt om het jaar weer te geven waarin een order is verzonden. U maakt het bijbehorende berekende veld dan door de volgende expressie te typen in een lege cel in de rij Veld in de query:

Leverdatum: Format( [ Leverdatum ]," jjjj ")

In dit voorbeeld wordt de functie Format gebruikt in de expressie om het jaartal op te halen uit de waarden (het jaartal staat in een veld met de naam Leverdatum). De leverdatum wordt met de functie Format opgehaald uit dat veld, waarna uit het argument 'jjjj' wordt afgeleid dat de datum alleen uit de vier cijfers van het jaartal moet bestaan. De resulterende waarde wordt in een nieuwe kolom weergegeven. Als u de expressie vooraf laat gaan door de tekst Leverdatum:, krijgt de nieuwe kolom automatisch deze naam. Deze naam wordt vaak een alias genoemd. Als u geen alias opgeeft, wordt de kolomnaam vastgesteld door Access, zoals Expr1.

Een expressie die het jaar ophaalt uit een datumwaarde

Een berekend veld maken in de queryontwerpweergave

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op de query die u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Klik op de cel Veld in de kolom waarin u het berekende veld wilt maken.

  3. Als u de expressie handmatig wilt maken, typt u de expressie.

  4. Als u de expressie wilt maken met de opbouwfunctie voor expressies, klikt u op het tabblad Ontwerp in de groep Query's instellen op Opbouwen.

    Opmerking : Zet de operator = niet voor de criteria-expressie, maar begin de expressie met een beschrijvend label gevolgd door een dubbele punt. Typ bijvoorbeeld Factuurprijs: als label voor een expressie waarmee een berekend veld met de naam Factuurprijs wordt gemaakt. Voer vervolgens na de dubbele punt de criteria voor de expressie in.

Naar boven

Expressies gebruiken als querycriteria

U kunt een expressie gebruiken om criteria in een query te definiëren. Alleen de rijen die aan de criteria voldoen, worden geretourneerd. Stel dat u alle orders wilt weergeven waarvan de leverdatum in 2010 ligt. Om de criteria in te voeren, typt u de volgende expressie in de cel Criteria voor de Datum/tijd-kolom in de query. In dit voorbeeld wordt gebruikgemaakt van een Datum/tijd-kolom met de naam Leverdatum. Voer de criteria als volgt in om een datumbereik te definiëren:

Between #1/1/2004# And #12/31/2004#

De kolom Leverdatum ziet er dan ongeveer als volgt uit:

De operator Between gebruiken in het queryontwerpraster

Voor elke record in de tabel Order geldt dat als de waarde in de kolom Leverdatum in het opgegeven datumbereik valt, de record wordt opgenomen in de uitvoer van de query. Let op: in de expressie moeten de datumwaarden tussen hekjes staan (#). Waarden tussen hekjes worden in Access als gegevens van het type Datum/tijd behandeld. Door waarden als Datum/tijd-gegevens te behandelen, kunnen er berekeningen op deze waarden worden uitgevoerd, zoals het aftrekken van een datum van een andere datum.

Criteria opgeven in het queryontwerpraster

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op de query die u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Klik in de cel Criteria in de kolom waarvoor u de criteria wilt opgeven.

  3. Als u de expressie handmatig wilt maken, typt u de criteria-expressie.

  4. Als u de expressie wilt maken met de opbouwfunctie voor expressies, klikt u op het tabblad Ontwerp in de groep Query's instellen op Opbouwen.

    Opmerking : Zet de operator = niet voor de criteria-expressie.

    Tip : Als u een groter gebied wilt waarin u de expressie kunt invoeren, drukt u op Shift+F2 om het dialoogvenster In- en uitzoomen weer te geven.

    Het dialoogvenster In- en uitzoomen

Naar boven

Gegevens in een tabelveld valideren

Expressies zijn ook handig voor het valideren van gegevens die in de database worden ingevoerd. U kunt gegevens valideren door een expressie in te voeren in de eigenschap Validatieregel van een veld in een tabel. Stel dat u een tabel hebt met de naam Voorraad met daarin een veld met de naam Eenheden op voorraad. U wilt een regel instellen waardoor gebruikers verplicht een waarde groter dan of gelijk aan nul moeten invoeren. U wilt dus voorkomen dat er een negatief getal wordt ingevoerd voor de voorraad. U kunt dit doen door de volgende expressie als een regel te gebruiken in de eigenschap Validatieregel:

>=0

Een validatieregel invoeren voor een veld in een tabel

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op de tabel die u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Klik in de kolom Veldnaam op het veld dat u wilt wijzigen.

  3. Selecteer op het tabblad Algemeen van het eigenschappenvenster het eigenschappenvak Validatieregel.

  4. Als u de expressie handmatig wilt maken, typt u de expressie.

  5. Als u de expressie wilt maken met de opbouwfunctie voor expressies, klikt u op de knop Opbouwen Knop Opbouwfunctie in het eigenschappenvak.

    Opmerking :  Typ niet de operator = voor de expressie als u een validatieregel gaat maken.

Expressies voor validatieregels zijn van het type Boole, wat betekent dat ze Waar of Onwaar opleveren. Een ingevoerde waarde wordt alleen geaccepteerd als de validatieregel Waar oplevert. Als u in dit voorbeeld voor het veld Eenheden op voorraad een waarde invoert die kleiner is dan nul, resulteert de expressie in Onwaar. De gebruiker ziet dan de tekst uit het eigenschappenvak Validatietekst en de waarde wordt niet geaccepteerd. Als u geen tekst hebt opgegeven in het eigenschappenvak Validatietekst, wordt er een standaardbericht van Access weergegeven om aan te geven dat de opgegeven waarde niet is toegestaan volgens de ingestelde validatieregel voor het veld.

In de sectie Zie ook vindt u koppelingen naar aanvullende informatie over het maken van validatieregels.

Naar boven

Gegevens valideren in een besturingselement in een formulier of rapport

Naast tabelvelden hebben ook besturingselementen een eigenschap Validatieregel die een expressie kan accepteren. Stel dat u een formulier gebruikt voor het opgeven van het datumbereik voor een rapport en dat u ervoor wilt zorgen dat de begindatum niet vóór 1-1-2016 valt. In dat geval kunt u de eigenschappen Validatieregel en Validatietekst voor het tekstvak waarin u de begindatum opgeeft bijvoorbeeld als volgt instellen.

Eigenschap

Instelling

Validatieregel

>=#1-1-2016#

Validatietekst

U kunt geen datum invoeren die vóór 1-1-2016 valt.

Als u toch probeert om een datum in te voeren die vóór 1-1-2016 valt, wordt er een bericht weergegeven. Nadat u op OK hebt geklikt, keert u terug naar het tekstvak

Berichtvenster met validatietekst voor het dialoogvenster Omzet per jaar

Tip : Als u een validatieregel instelt voor een tabelveld, wordt de regel afgedwongen voor alle gebruikers van de tabel. Als u een validatieregel instelt voor een besturingselement op een formulier, wordt de regel alleen afgedwongen voor gebruikers van dat formulier. Het afzonderlijk instellen van validatieregels voor tabelvelden en voor besturingselementen kan handig zijn als u verschillende validatieregels wilt gebruiken voor verschillende gebruikers.

Een validatieregel opgeven voor een besturingselement

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op het formulier of rapport dat u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Klik met de rechtermuisknop op het besturingselement dat u wilt wijzigen en klik vervolgens op Eigenschappen in het snelmenu.

    Het eigenschappenvenster van het besturingselement wordt weergegeven.

  3. Klik op het tabblad Alle en klik vervolgens op het eigenschappenvak Validatieregel.

  4. Typ de expressie of klik op de knop Opbouwen Knop Opbouwfunctie in het eigenschappenvak om een expressie te maken met behulp van de opbouwfunctie voor expressies.

    Opmerking : Typ niet de operator = voor de expressie als u een validatieregel gaat maken.

  5. Als u de tekst wilt aanpassen die wordt weergegeven als een gebruiker gegevens invoert die niet overeenkomen met de validatieregel, typt u de gewenste tekst in de eigenschap Validatietekst.

Als de eigenschap Besturingselementbron voor het besturingselement verwijst naar een veld in een tabel, is het een goed idee om ook de eigenschap Validatieregel voor het veld in te stellen, naast de eigenschap Validatieregel voor het besturingselement. Op die manier wordt altijd dezelfde regel toegepast, ongeacht via welk formulier of welke query het veld wordt bijgewerkt.

In de sectie Zie ook vindt u koppelingen naar aanvullende informatie over het maken van validatieregels.

Naar boven

Een standaardwaarde instellen voor een tabelveld

U kunt een expressie gebruiken om een standaardwaarde op te slaan voor een veld in een tabel. Stel dat u automatisch de datum en tijd wilt invoegen in het veld Orderdatum wanneer u een nieuwe record toevoegt. U doet dit door de volgende expressie in te voeren in de eigenschap Standaardwaarde:

Nu()

Een standaardwaarde opgeven voor een veld in een tabel

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op de tabel die u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Klik in de kolom Veldnaam op het veld dat u wilt wijzigen.

  3. Selecteer op het tabblad Algemeen van het eigenschappenvenster het eigenschappenvak Standaardwaarde.

  4. Typ de expressie of klik op de knop Opbouwen Knop Opbouwfunctie in het eigenschappenvak om een expressie te maken met behulp van de opbouwfunctie voor expressies.

Als een besturingselement afhankelijk is van een tabelveld en zowel het besturingselement als het tabelveld standaardwaarden hebben, heeft de standaardwaarde van het besturingselement voorrang op het tabelveld.

In de sectie Zie ook vindt u koppelingen naar aanvullende informatie over het instellen van standaardwaarden.

Naar boven

Een standaardwaarde instellen voor een besturingselement in een formulier of rapport

Er worden ook vaak expressies gebruikt in de eigenschap Standaardwaarde van een besturingselement. De eigenschap Standaardwaarde van een besturingselement werkt ongeveer hetzelfde als de eigenschap Standaardwaarde van een veld in een tabel. Als u bijvoorbeeld de huidige datum wilt gebruiken als de standaardwaarde voor een tekstvak, kunt u de volgende expressie gebruiken.

Datum()

De expressie Datum wordt gebruikt om wel de huidige datum maar niet de tijd te retourneren. Als het tekstvak afhankelijk is van een tabelveld en het veld een standaardwaarde heeft, heeft de standaardwaarde van het besturingselement voorrang op het tabelveld. Het is vaak beter om de eigenschap Standaardwaarde in te stellen voor het veld in de tabel. Als u dan een aantal besturingselementen voor verschillende formulieren baseert op hetzelfde tabelveld, wordt dezelfde standaardwaarde toegepast op elk besturingselement, zodat de gegevensinvoer consistent is op elk formulier.

Een standaardwaarde opgeven voor een besturingselement

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op het formulier of rapport dat u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Klik met de rechtermuisknop op het besturingselement dat u wilt wijzigen en klik vervolgens op Eigenschappen in het snelmenu.

  3. Klik op het tabblad Alle in het eigenschappenvenster en klik vervolgens op het eigenschappenvak Standaardwaarde.

  4. Typ de expressie of klik op de knop Opbouwen Knop Opbouwfunctie in het eigenschappenvak om een expressie te maken met behulp van de opbouwfunctie voor expressies.

In de sectie Zie ook vindt u koppelingen naar aanvullende informatie over het instellen van standaardwaarden.

Naar boven

Expressies gebruiken om macroacties uit te voeren

Het kan voorkomen dat een actie of een reeks acties in een macro alleen moet worden uitgevoerd als aan een bepaalde voorwaarde wordt voldaan. Stel u wilt een macroactie alleen uitvoeren wanneer de waarde in een tekstvak gelijk is aan 10. U kunt deze regel instellen door met behulp van een expressie deze voorwaarde te definiëren in de kolom Voorwaarde van de macro.

In dit voorbeeld is de naam van het tekstvak Items. De expressie waarmee de voorwaarde wordt ingesteld, is [Items]=10.

een voorwaardelijke expressie in een macro

Een voorwaarde opgeven voor een macroactie

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op de macro die u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Als u de kolom Voorwaarde niet ziet in het ontwerpraster, gaat u naar het tabblad Ontwerp (op het lint) en klikt u in de groep Weergeven/verbergen op Voorwaarden.

  3. Klik in de kolom Voorwaarde in de lege cel naast de macroactie die u wilt wijzigen en typ vervolgens de voorwaardelijke expressie.

Net als de eigenschap Validatieregel, is de expressie in de kolom Voorwaarde van het type Boole. Dit betekent dat de expressie altijd Waar of Onwaar oplevert. De macroactie wordt alleen uitgevoerd als de voorwaarde Waar is.

Naar boven

Gegevens groeperen en sorteren in een rapport met behulp van een expressie

U gebruikt het deelvenster Groeperen, sorteren en totaal berekenen om groepeerniveaus en sorteervolgorden te definiëren voor de gegevens in een rapport. Het deelvenster vervangt het dialoogvenster Sorteren en groeperen uit eerdere versies van Access. U kunt het deelvenster Groeperen, sorteren en totaal berekenen alleen weergeven en gebruiken wanneer u een rapport opent in de ontwerpweergave. Het deelvenster bevindt zich op hetzelfde tabblad als uw rapport.

In de volgende afbeelding ziet u het deelvenster zoals dat wordt weergegeven wanneer u het venster voor het eerst opent:

het deelvenster groeperen, sorteren en totaal berekenen

Groeperen is het combineren van kolommen die dubbele waarden bevatten. Stel dat uw database omzetgegevens bevat voor kantoren in verschillende plaatsen en dat een van de rapporten in de database 'Omzet per plaats' heet. De query die de gegevens voor dit rapport levert, zal de gegevens groeperen aan de hand van de waarden van de plaatsen. Met behulp van dit type groepering kunnen gegevens eenvoudiger worden gelezen en begrepen.

Sorteren is daarentegen het opleggen van een sorteervolgorde aan de rijen (de records) in uw queryresultaten. U kunt records bijvoorbeeld aan de hand van hun primaire sleutelwaarden (of een andere set waarden in een ander veld) in oplopende of aflopende volgorde sorteren, maar u kunt de records ook op een of meer tekens in een opgegeven volgorde sorteren, zoals alfabetische volgorde.

Groeperen en sorteren aan een rapport toevoegen

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op het rapport dat u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Ga naar het tabblad Ontwerpen en klik in de groep Groeperen en totalen berekenen op Groeperen en sorteren .

    Het deelvenster Groeperen, sorteren en totaal berekenen wordt weergegeven aan de onderkant van het tabblad met het rapport.

  3. Klik op Groep toevoegen om een groepeerniveau aan het rapport toe te voegen.

  4. Klik op Sortering toevoegen om een sorteervolgorde aan het rapport toe te voegen.

    In het deelvenster wordt een nieuw groepeerniveau of nieuwe sorteervolgorde weergegeven, plus een lijst van de velden die gegevens leveren voor het rapport. In deze afbeelding ziet u een voorbeeld van een nieuw groepeerniveau (gegroepeerd op Categorie) en een nieuwe sorteervolgorde (gesorteerd op Fabrikant), plus een lijst met de beschikbare velden voor groeperen en sorteren:

    Het deelvenster Groeperen, sorteren en totaal berekenen, waarbij ook de lijst met velden wordt weergegeven

  5. Klik in de lijst met de beschikbare velden op expressie om de opbouwfunctie voor expressies te starten.

  6. Typ de expressie in het expressievak (het bovenste vak) van de opbouwfunctie voor expressies. De expressie moet beginnen met de operator =.

Een expressie toevoegen aan een bestaande groep of sortering

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op het rapport dat u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Klik op het groepeerniveau of de sorteervolgorde die u wilt wijzigen.

  3. Klik op de pijl omlaag naast Groeperen op (voor groepeerniveaus) of Sorteren op (voor sorteervolgordes).

    Er wordt een lijst geopend die de beschikbare velden bevat.

  4. Klik onder de lijst met de velden op expressie om de opbouwfunctie voor expressies te starten.

  5. Typ de expressie in het expressievak (het bovenste vak) van de opbouwfunctie voor expressies. De expressie moet beginnen met de operator =.

Zie de volgende sectie voor meer informatie over de opbouwfunctie voor expressies.

Naar boven

Expressies maken met de opbouwfunctie voor expressies

U kunt makkelijk expressies maken met behulp van de opbouwfunctie voor expressies. Met de opbouwfunctie voor expressies hebt u eenvoudig toegang tot de namen van de velden en besturingselementen in uw database en tot een groot aantal ingebouwde functies dat beschikbaar is wanneer u expressies schrijven.

Algemene informatie over de opbouwfunctie voor expressies

U kunt de opbouwfunctie voor expressies zien als een hulpmiddel om te zoeken naar onderdelen van een expressie die u lastig vindt om te onderhouden, zodat u deze eenvoudig kunt invoegen. Denk hierbij aan namen van onderdelen (zoals velden, tabellen, formulieren en query's), en de namen van functies en de bijbehorende argumenten.

Met de opbouwfunctie voor expressies kunt u een nieuwe expressie maken of kiezen uit vooraf gedefinieerde expressies, inclusief expressies voor het weergeven van paginanummers, de huidige datum en de huidige datum en tijd.

In Access kunt u de opbouwfunctie voor expressies starten op de meeste plekken waar u handmatig expressies schrijft, bijvoorbeeld vanuit de eigenschap Besturingselementbron van een besturingselement of de eigenschap Validatieregel van een veld in een tabel. Over het algemeen geldt dat u de opbouwfunctie voor expressies kunt starten als u de knop Opbouwfunctie Knop Opbouwfunctie ziet.

Opbouwfunctie voor expressies

1. Expressievak

De bovenste sectie van de opbouwfunctie bevat een expressievak waarin u de expressie kunt maken. U kunt de expressie rechtstreeks in het vak typen of u kunt elementen selecteren in de drie kolommen in de onderste sectie van de opbouwfunctie voor expressies en deze vervolgens toevoegen aan het expressievak. Als u een element wilt toevoegen, dubbelklikt u erop en klikt u vervolgens op Plakken.

2. Knoppen voor operatoren

De middelste sectie van de opbouwfunctie voor expressies bevat knoppen voor het invoegen van veelgebruikte rekenkundige en logische operatoren in de expressie. Klik op een knop om de bijbehorende operator in het expressievak in te voegen. U kunt een langere lijst met beschikbare operatoren weergeven door in de kolom linksonder (met expressie-elementen) op de map Operatoren te klikken en vervolgens in de middelste kolom op een categorie te klikken. In de rechterkolom ziet u dan alle operatoren uit de geselecteerde categorie. U kunt een operator invoegen door erop te dubbelklikken.

3. Expressie-elementen

De onderste sectie bevat drie kolommen:

  • In de linkerkolom ziet u mappen met de tabellen, query's, formulieren en rapporten in uw database, evenals de beschikbare ingebouwde functies en door de gebruiker gedefinieerde functies, constanten, operatoren en veelgebruikte expressies.

  • De middelste kolom bevat specifieke elementen of categorieën van elementen voor de map die is geselecteerd in de linkerkolom. Als u bijvoorbeeld in de linkerkolom op Ingebouwde functies klikt, bevat de middelste kolom functiecategorieën.

  • In de rechterkolom staan de eventuele waarden voor de elementen die u hebt geselecteerd in de linker- en middelste kolommen. Als u bijvoorbeeld in de linkerkolom op Ingebouwde functies klikt en vervolgens op Datum/tijd in de middelste kolom, ziet u in de rechterkolom alle ingebouwde functies die u kunt gebruiken met datum- en tijdwaarden.

U kunt de expressie samenstellen door tekst te typen in het expressievak en elementen uit de andere gedeelten van de opbouwfunctie te plakken. Klik bijvoorbeeld in de kolom linksonder om te kijken welke objecten er in de database staan, afgezien van de beschikbare functies, constanten, operatoren en veelgebruikte expressies. Als u op een item in de linkerkolom klikt, wordt de inhoud van de andere kolommen aangepast aan uw selectie. Als u bijvoorbeeld in de linkerkolom dubbelklikt op Tabellen en vervolgens op de naam van een tabel klikt, bevat de middelste kolom de velden uit die tabel. Als u in de linkerkolom dubbelklikt op Functies en vervolgens klikt op Ingebouwde functies, ziet u in de middelste kolom alle functiecategorieën en in de rechterkolom alle functies voor deze categorieën. Als u dubbelklikt op een functie om deze in de expressie in te voegen, wordt de functie weergegeven in het expressievak, samen met tijdelijke aanduidingen voor tekst die aangeven welke argumenten vereist zijn voor de functie. Als u bijvoorbeeld dubbelklikt op de functie IIf, verschijnt de volgende tekst in het expressievak:

IIf (<< expressie >>; << alswaar >>; << alsonwaar >>)

De tekst <<expressie>>, <<alswaar>> en <<alsonwaar>> moet u vervangen door de argumentwaarden die u wilt gebruiken. Dit kunt u rechtstreeks in het expressievak doen door te klikken op een tijdelijke aanduiding en vervolgens het argument te typen of het argument te selecteren met behulp van de drie lijsten met expressie-elementen.

Als u achter elkaar op twee of meer functies dubbelklikt, bijvoorbeeld eerst op IIf en vervolgens op Round, worden beide functies toegevoegd aan het expressievak en worden ze van elkaar gescheiden door de tijdelijke aanduiding <<Expressie>>:

IIf (<< expressie >>; << alswaar >>; << alsonwaar >>) << Expressie >> Round (<<getal>>; <<precisie>>)

Het vervangen van de tijdelijke aanduidingen voor de functieargumenten is niet voldoende. U moet ook de tijdelijke aanduiding <<Expressie>> vervangen door een operator om de expressie werkend te maken.

Wanneer u een aanduiding (de naam van een tabelveld of besturingselement) in een expressie plakt, worden alleen de onderdelen van de aanduiding ingevoegd die in de huidige context vereist zijn. Als u de opbouwfunctie voor expressies bijvoorbeeld start vanuit het eigenschappenvenster van een formulier met de naam Klanten en u vervolgens een aanduiding voor de eigenschap Visible van het formulier in de expressie plakt, wordt alleen de naam van de eigenschap geplakt (Zichtbaar). Als u deze expressie buiten de context van het formulier gebruikt, moet u de volledige aanduiding opnemen: Forms![Klanten].Zichtbaar.

De opbouwfunctie voor expressies starten vanuit een tabel

Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op de tabel die u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

Klik in de kolom Veldnaam op het veld dat u wilt wijzigen.

Klik onder Veldeigenschappen op de tab Algemeen.

Klik op de eigenschap waaraan u de expressie wilt toevoegen en klik vervolgens op de knop Opbouwen Knop Opbouwfunctie naast de eigenschap.

De opbouwfunctie voor expressies starten vanuit een formulier of rapport

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op het formulier of rapport dat u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Klik met de rechtermuisknop op het besturingselement dat u wilt wijzigen en klik vervolgens op Eigenschappen in het snelmenu.

  3. Zoek in het eigenschappenvenster de eigenschap waaraan u de expressie wilt toevoegen en klik vervolgens op de knop Opbouwen Knop Opbouwfunctie naast de eigenschap.

De opbouwfunctie voor expressies starten vanuit een query

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op de query die u wilt wijzigen en klik vervolgens op Ontwerpweergave in het snelmenu.

  2. Klik in het ontwerpraster op de cel waaraan u de expressie wilt toevoegen. Klik bijvoorbeeld in de cel Criteria voor de kolom waar u criteria wilt opgeven of klik in de cel Veld cel voor de kolom waarin u een berekend veld wilt maken.

  3. Ga naar het tabblad Ontwerp en klik in de groep Query's instellen op Opbouwfunctie.

Naar boven

Tabel met operatoren

Een operator is een teken of symbool dat aangeeft welk type berekening er moet worden uitgevoerd in een expressie. Er zijn rekenkundige operatoren, vergelijkingsoperatoren, logische operatoren en verwijzingsoperatoren. Access ondersteunt een groot aantal operatoren, waaronder rekenkundige operatoren zoals +, -, vermenigvuldigen (*) en delen (/), maar ook vergelijkingsoperatoren om waarden te vergelijken, tekstoperatoren om tekst samen te voegen en logische operatoren om te bepalen of een waarde waar of onwaar is in de context. In dit artikel vindt u uitgebreide informatie over het gebruik van deze operators.

Rekenkundige operatoren

U gebruikt de rekenkundige operatoren om een waarde te berekenen aan de hand van twee of meer getallen of om het teken van een getal te wijzigen van positief in negatief of omgekeerd.

Operator

Doel

Voorbeeld

+

Twee getallen optellen.

[Subtotaal]+[Btw]

-

Het verschil tussen twee getallen vinden of de negatieve waarde van een getal aangeven.

[Prijs]-[Korting]

*

Twee getallen vermenigvuldigen.

[Hoeveelheid]*[Prijs]

/

Het eerste getal door het tweede getal delen.

[Totaal]/[AantalItems]

\

Beide getallen afronden op gehele getallen, het eerste getal door het tweede getal delen en vervolgens het resultaat afkappen tot een geheel getal.

[Geregistreerd]\[Kamers]

Mod

Het eerste getal door het tweede getal delen en vervolgens alleen het restgetal retourneren.

[Geregistreerd] Mod [Kamers]

^

Een getal tot de macht van een exponent verheffen.

Getal ^ Exponent

Vergelijkingsoperatoren

Gebruik de vergelijkingsoperatoren om waarden te vergelijken en een resultaat te retourneren dat bestaat uit Waar, Onwaar of Null. In de voorbeelden worden de constanten 1 en 2 gebruikt, maar deze constanten kunt u vervangen door aanduidingen, functies of expressies.

Operator

Doel

Voorbeeld

Resultaat

<

Geeft als resultaat Waar als de eerste waarde kleiner is dan de tweede waarde.

1 < 2

Waar

<=

Geeft als resultaat Waar als de eerste waarde kleiner is dan of gelijk is aan de tweede waarde.

1 <= 2

Waar

>

Geeft als resultaat Waar als de eerste waarde groter is dan de tweede waarde.

1 > 2

Onwaar

>=

Geeft als resultaat Waar als de eerste waarde groter is dan of gelijk is aan de tweede waarde.

1 >= 2

Onwaar

=

Geeft als resultaat Waar als de eerste waarde gelijk is aan de tweede waarde.

1 = 2

Onwaar

<>

Geeft als resultaat Waar als de eerste waarde niet gelijk is aan de tweede waarde.

1 <> 2

Waar

Opmerking : Voor alle gevallen voorbeelden geldt dat het resultaat null is als de eerste waarde of de tweede waarde null (leeg) is. Aangezien null staat voor een onbekende waarde, is het resultaat van een vergelijking met een null-waarde ook onbekend.

Logische operatoren

U gebruikt de logische operatoren om twee Booleaanse waarden te combineren en het resultaat Waar, Onwaar of Null te retourneren. Logische operatoren worden ook wel Booleaanse operatoren genoemd.

Operator

Doel

Voorbeeld

Resultaat

And

Geeft als resultaat Waar als Expr1 en Expr2 waar zijn.

1 < 2 And 3 < 4

Waar

Or

Geeft als resultaat waar als Expr1 of Expr2 waar is.

1 < 2 Or 3 < 4

Waar

Eqv

Geeft als resultaat Waar als zowel Expr1 als Expr2 waar is, of als zowel Expr1 als Expr2 onwaar is.

1 < 2 Eqv 3 < 4

Waar

Not

Geeft als resultaat waar als Expr niet waar is.

Not  (1 < 2)

Onwaar

Xor

Geeft als resultaat Waar als Expr1 waar is of als Expr2 waar is, maar niet beide.

1 < 2 Xor 3 < 4

Onwaar

Samenvoegingsoperatoren

U gebruikt de samenvoegingsoperatoren om twee tekstwaarden tot één te combineren.

Operator

Doel

Voorbeeld

Resultaat

&

Hiermee combineert u twee tekenreeksen tot één tekenreeks.

'wegen' & 'kaart'

'wegenkaart'

'wegen' & Null

'wegen'

+

Hiermee combineert u twee tekenreeksen tot één tekenreeks en worden null-waarden doorgegeven (als één waarde Null is, retourneert de volledige expressie Null).

'wegen' + 'kaart'

'wegenkaart'

'wegen' + Null

Null

Special operatoren

De speciale operatoren gebruikt u om Waar of Onwaar te retourneren zoals wordt beschreven in de volgende tabel.

Operator

Doel

Voorbeeld

Is Null of Is niet Null

Hiermee bepaalt u of een waarde Null of niet Null is.

Veld1 Is niet Null

Like-patroon

Hiermee vergelijkt u tekenreeksen met behulp van de jokertekens ? en *.

Veld1 Like "instruct*"

Between val1 En val2

Hiermee bepaalt u of een numerieke waarde of datumwaarde in een bereik wordt gevonden.

Veld1 Between 1 En 10
- OF -
Veld1 Between #01-07-07# En #31-12-07#

In(val1,val2...)

Hiermee bepaalt u of een waarde wordt gevonden in een verzameling waarden.

Veld1 In ("rood","groen","blauw")
- OF -
Veld1 In (1,5,7,9)

In de sectie Zie ook vindt u koppelingen naar meer informatie over de syntaxis van expressies.

Naar boven

Opmerking : Disclaimer voor automatische vertaling: Dit artikel is vertaald door een computersysteem zonder menselijke tussenkomst. Microsoft biedt deze automatische vertalingen aan om niet-Engels sprekende gebruikers te helpen de inhoud over producten, services en technologieën van Microsoft te raadplegen. Omdat het artikel automatisch is vertaald, bevat het mogelijk fouten in grammatica, woordenschat en syntaxis.

Was deze informatie nuttig?

Heel goed! Hebt u nog meer feedback?

Wat kunnen we verbeteren?

Bedankt voor uw feedback.

×