Een grafiek maken

Belangrijk   Dit artikel is automatisch vertaald, bekijk de disclaimer. De Engelse versie van dit artikel vindt u hier voor referentiedoeleinden.

Microsoft Office Excel 2007 biedt niet langer de wizard Grafieken. U kunt in plaats hiervan een basisgrafiek maken door te klikken op het grafiektype dat u op de Microsoft Office Fluent-gebruikersinterface lint wilt. Als u een grafiek waarin de details die u wilt maken, kunt vervolgens u doorgaan met de volgende stappen van de volgende stapsgewijze procedure.

Wat wilt u doen?

Meer informatie over grafieken

Stap 1: Een basisgrafiek maken

Stap 2: De indeling of stijl van een grafiek wijzigen

Stap 3: Titels of gegevenslabels toevoegen of verwijderen

Stap 4: Een legenda weergeven of verbergen

Stap 5: Grafiekassen of rasterlijnen weergeven of verbergen

Stap 6: De positie of het formaat van een grafiek wijzigen

Stap 7: Een grafiek opslaan als een sjabloon

Meer informatie over grafieken

Grafieken worden gebruikt om reeksen numerieke gegevens weer te geven in een grafische indeling, zodat het gemakkelijker is om inzicht te krijgen in grote hoeveelheden gegevens en de relatie tussen verschillende reeksen gegevens.

Als u een grafiek maakt in Excel, begint u met het invoeren van de numerieke gegevens voor de grafiek op een werkblad. Vervolgens kunt u die gegevens in een grafiek uitzetten door het selecteren van het grafiektype dat u wilt gebruiken in de Office Fluent-lint (tabbladInvoegen , groep grafieken ).

Werkbladgegevens en grafiek

1. Werkbladgegevens

2. Grafiek gemaakt op basis van werkbladgegevens

Excel ondersteunt een groot aantal grafiektypen waarmee u gegevens op diverse manieren kunt presenteren. Wanneer u een grafiek maakt of een bestaande grafiek wijzigt, kunt u kiezen uit een groot assortiment aan grafiektypen (zoals een kolomdiagram of een cirkeldiagram) en de bijbehorende subtypen (zoals een gestapeld kolomdiagram of een cirkeldiagram met 3D-opmaak). U kunt ook een combinatiediagram maken door meerdere grafiektypen in uw grafiek op te nemen.

Combinatiediagram

Voorbeeld van een combinatiediagram dat bestaat uit een kolomdiagram en een lijndiagram.

Zie Beschikbare grafiektypenvoor meer informatie over de grafiektypen die u in Excel selecteren kunt.

Meer informatie over de elementen van een grafiek

Een grafiek heeft veel elementen. Sommige van deze elementen worden standaard weergegeven, andere kunnen naar wens worden toegevoegd. U kunt de weergave van grafiekelementen wijzigen door deze naar andere locaties in de grafiek te verplaatsen, het formaat ervan te wijzigen of de indeling ervan te wijzigen. U kunt ook grafiekelementen verwijderen die u niet wilt weergeven.

Een grafiek en de elementen ervan

1. Het grafiekgebied van de grafiek.

2. Het tekengebied van de grafiek.

3. De gegevenspunten van de gegevensreeks die in de grafiek zijn uitgezet.

4. De horizontale (categorie-) en verticale (waarde-) as waarlangs de gegevens in de grafiek zijn uitgezet.

5. De legenda van de grafiek.

6. Een grafiek- en astitel die u in de grafiek kunt gebruiken.

7. Een gegevenslabel waarmee u de details van een gegevenspunt in een gegevensreeks kunt identificeren.

Een basisgrafiek aanpassen aan uw wensen

Nadat u een grafiek hebt gemaakt, kunt u alle elementen daarvan aanpassen. U wilt bijvoorbeeld de manier wijzigen waarop in assen worden weergegeven, een grafiektitel toevoegen, de legenda verplaatsen of verbergen, of extra grafiekelementen toevoegen.

U kunt een grafiek als volgt wijzigen:

  • De weergave van grafiekassen wijzigen    U kunt de schaal van de assen opgeven en het interval instellen tussen de waarden of categorieën die worden weergegeven. Als u de grafiek beter leesbaar wilt maken, kunt u ook maatstreepjes toevoegen aan een as en de ruimte tussen de maatstreepjes opgeven.

  • Titels en gegevenslabels toevoegen aan een grafiek    Als u de informatie in uw grafiek wilt verduidelijken, kunt u een grafiektitel, astitels en gegevenslabels toevoegen.

  • Een legenda of een gegevenstabel toevoegen     U kunt een legenda weergeven of verbergen, de plaats ervan wijzigen of de legendagegevens wijzigen. In sommige grafieken kunt u ook een gegevenstabel weergeven waarin de legendasleutels en de in de grafiek gepresenteerde waarden worden weergegeven.

  • Speciale opties toepassen voor elk grafiektype    Speciale lijnen (zoals hoog/laag-lijnen en trendlijnen), balken (zoals omhoog/omlaag-balken en foutbalken), gegevensmarkeringen en andere opties zijn beschikbaar voor verschillende grafiektypen.

Een vooraf gedefinieerde grafiekindeling en grafiekstijl gebruiken voor een professioneel uiterlijk

In plaats van handmatig toevoegen of wijzigen van grafiekelementen of opmaak van de grafiek, kunt u snel een vooraf gedefinieerde grafiekindeling en grafiekstijl toepassen op de grafiek. Excel beschikt u over diverse handige, vooraf gedefinieerde indelingen en stijlen waaruit u kunt kiezen, maar u kunt indien nodig door handmatig wijzigingen aanbrengen in de lay-out en opmaak van afzonderlijke grafiekelementen, zoals het grafiekgebied tekengebied, gegevensreeksen of de legenda van de grafiek indeling of de stijl aanpassen.

Als u een vooraf gedefinieerde grafiekindeling toepast, wordt een specifieke set grafiekelementen (zoals titels, een legenda, een gegevenstabel of gegevenslabels) in de grafiek weergegeven in een bepaalde indeling. U kunt voor elk grafiektype diverse indelingen selecteren.

Als u een vooraf gedefinieerde stijl toepast, wordt de grafiek opgemaakt op basis van het documentthema dat u hebt toegepast, zodat de grafiek aansluit bij het themakleuren (een kleurenset), themalettertypen (een set lettertypen voor koppen en hoofdtekst) en thema-effecten (een set lijnen en opvuleffecten) van uzelf of uw organisatie.

U kunt niet uw eigen grafiekindelingen of -stijlen maken, maar u kunt wel grafieksjablonen maken die de gewenste grafiekindeling en -opmaak omvatten.

Visueel aantrekkelijke opmaak toevoegen aan een grafiek

Naast de toepassing van een vooraf gedefinieerde grafiekstijl kunt u gemakkelijk opmaak toepassen op afzonderlijke grafiekelementen zoals gegevensmarkeringen, het grafiekgebied, het tekengebied en de cijfers en tekst in titels en labels, om de grafiek uniek en visueel aantrekkelijk te maken. U kunt specifieke stijlen voor vormen en voor WordArt toepassen, en u kunt de vormen en de tekst van grafiekelementen ook handmatig opmaken.

U kunt als volgt opmaak toevoegen:

  • Grafiekelementen opvullen    U kunt met kleuren, patronen, afbeeldingen en kleurovergangen de aandacht richten op specifieke grafiekelementen.

  • De rand van grafiekelementen wijzigen    U kunt met kleuren, lijnstijlen en lijndikten bepaalde grafiekelementen benadrukken.

  • Speciale effecten toevoegen aan grafiekelementen    U kunt speciale effecten, zoals schaduw, weerspiegeling, gloed, vloeiende randen, schuine randen en 3D-draaiing toepassen op grafiekelementvormen, waardoor u de grafiek een verzorgd uiterlijk geeft.

  • Tekst en cijfers opmaken    U kunt tekst en cijfers in titels, labels en tekstvakken in een grafiek opmaken net als de tekst en cijfers in een werkblad. Als u tekst en cijfers extra nadruk wilt geven, kunt u zelfs WordArt-stijlen toepassen.

Grafieken hergebruiken met grafieksjablonen

Als u een grafiek die u aan uw eigen situatie hebt aangepast opnieuw wilt gebruiken, kunt u de grafiek opslaan als grafieksjabloon (.CRTX) in de map met grafieksjablonen. Als u dan een nieuwe grafiek maakt, kunt u de grafieksjabloon toepassen op dezelfde wijze als een ingebouwd grafiektype. Grafieksjablonen zijn aangepaste grafiektypen, waarmee u het grafiektype van een bestaande grafiek kunt wijzigen. Als u een bepaalde grafieksjabloon regelmatig gebruikt, kunt u deze opslaan als het standaard grafiektype. 

Naar boven

Stap 1: Een basisgrafiek maken

In de meeste grafieken, zoals kolom- en staafdiagrammen, kunt u de gegevens die u schikt in rijen en kolommen in een werkblad uitzetten in een grafiek. Voor sommige grafiektypen, zoals cirkel- en bellendiagrammen, moeten de gegevens echter op een speciale manier worden geschikt.

  1. Schik op het werkblad de gegevens die u wilt uitzetten in een grafiek.

    U kunt de gegevens schikken in rijen of kolommen. Excel bepaalt automatisch de beste manier om de gegevens uit te zetten in de grafiek. Voor sommige grafiektypen, zoals cirkel- en bellendiagrammen, moeten gegevens op een speciale manier worden gerangschikt, zoals wordt beschreven in de volgende tabel.

Voor dit grafiektype

Schikt u de gegevens

Kolom-, staaf-, lijn-, gebied-, oppervlak- of radardiagram

In kolommen of rijen, bijvoorbeeld:

Lorem

Ipsum

-1

2

3

4

Of:

Lorem

1

3

Ipsum

2

4

Cirkel- of ringdiagram

Voor één gegevensreeks, in één kolom of rij met gegevens en één kolom of rij met gegevenslabels, bijvoorbeeld:

A

1

B

2

C

3

Of:

A

B

C

-1

2

3

Voor meerdere gegevensreeksen, in meerdere rijen met gegevens en één kolom of rij met gegevenslabels, bijvoorbeeld:

A

-1

2

B

3

4

C

5

6

Of:

A

B

C

-1

2

3

4

5

6

Spreidings- of bellendiagram

In kolommen, waarbij x-waarden in de eerste kolom worden geplaatst en de corresponderende y-waarden en/of waarden voor de belgrootte in aangrenzende kolommen, bijvoorbeeld:

X

y

Belgrootte

-1

2

3

4

5

6

Hoog/laag/slot-diagram

In kolommen of rijen in de onderstaande volgorde, waarbij namen of datums als labels worden gebruikt:

hoge waarden, lage waarden en slotwaarden

Zoals:

Datum

Hoog

Laag

Slot

01-01-2002

46,125

42

44,063

Of:

Datum

01-01-2002

Hoog

46,125

Laag

42

Slot

44,063

  1. Selecteer de cellen met de gegevens die u wilt gebruiken.

    Tip   Als u maar één cel selecteert, zet Excel automatisch alle aangrenzende cellen die gegevens bevatten uit in een grafiek. Als de cellen die u in een grafiek wilt uitzetten zich niet in een aaneengesloten bereik bevinden, kunt u niet-aangrenzende cellen of bereiken selecteren, mits de selectie een rechthoek vormt. U kunt ook de rijen of kolommen die u niet wilt uitzetten in de grafiek verbergen.

    Cellen, bereiken, rijen of kolommen selecteren

    Gewenste selectie

    Werkwijze

    Eén cel

    Klik in de cel of gebruik de pijltoetsen om naar de cel te gaan.

    Een reeks cellen

    Klik op de eerste cel van het bereik en sleep naar de laatste cel. Of houd Shift ingedrukt en druk op de pijltoetsen om de selectie uit te breiden.

    U kunt ook de eerste cel van het bereik selecteren en vervolgens op F8 drukken om de selectie uit te breiden met de pijltoetsen. Druk nogmaals op F8 om te stoppen met het uitbreiden van de selectie.

    Een groot cellenbereik

    Klik op de eerste cel van het bereik en houd Shift ingedrukt terwijl u op de laatste cel van het bereik klikt. U kunt schuiven om de laatste cel zichtbaar te maken.

    Alle cellen in een werkblad

    Klik op de knop Alles selecteren.

    De knop Alles selecteren

    U kunt het hele werkblad ook selecteren door op Ctrl+A te drukken.

    Opmerking   Als het werkblad gegevens bevat, selecteert u met Ctrl+A het huidige gebied. Als u nogmaals op Ctrl+A drukt, wordt het hele werkblad geselecteerd.

    Niet-aangrenzende cellen of celbereiken

    Selecteer de eerste cel of het eerste celbereik en houd Ctrl ingedrukt terwijl u de andere cellen of bereiken selecteert.

    U kunt ook de eerste cel of het eerste celbereik selecteren en vervolgens op Shift+F8 drukken om een andere niet-aangrenzende cel of niet-aangrenzend bereik toe te voegen aan de selectie. Druk opnieuw op Shift+F8 wanneer u het het toevoegen van cellen of bereiken wilt beëindigen.

    Opmerking   U kunt de selectie van een cel of cellenbereik in een niet-aangrenzende selectie niet opheffen zonder de hele selectie op te heffen.

    Een hele rij of kolom

    Klik op de rij- of kolomkop.

    Werkblad met zichtbare rij- en kolomkop

    1. Rijkop

    2. Kolomkop

    U kunt cellen in een rij of kolom ook selecteren door de eerste cel te selecteren en vervolgens op Control+Shift+Pijltoets te drukken (Pijl-rechts of Pijl-links voor rijen, Pijl-omhoog of Pijl-omlaag voor kolommen).

    Opmerking   Als de rij of kolom gegevens bevat, selecteert u met Ctrl+Shift+Pijltoets de rij of kolom tot en met de laatste gebruikte cel. Als u nogmaals op Ctrl+Shift+Pijltoets drukt, wordt de hele rij of kolom geselecteerd.

    Aangrenzende rijen of kolommen

    Sleep over de rij- of kolomkoppen. U kunt ook de eerste rij of kolom selecteren en vervolgens Shift ingedrukt houden terwijl u de laatste rij of kolom selecteert.

    Niet-aangrenzende rijen of kolommen

    Klik op de kolom- of rijkop van de eerste rij of kolom van de selectie en houd vervolgens Ctrl ingedrukt terwijl u op de rij- of kolomkoppen klikt van andere rijen en kolommen die u aan de selectie wilt toevoegen.

    De eerste of laatste cel in een rij of kolom

    Selecteer een cel in de rij of kolom en druk vervolgens op de toets Ctrl+Pijltoets (Pijl-rechts of Pijl-links voor rijen, Pijl-omhoog of Pijl-omlaag voor kolommen).

    De eerste of laatste cel in een werkblad of een tabel van Microsoft Office Excel

    Druk op Ctrl+Home om de eerste cel in het werkblad of in een Excel-lijst te selecteren.

    Druk op Ctrl+End om de laatste cel in het werkblad of in een Excel-lijst met gegevens of opmaak te selecteren.

    Cellen tot de laatste gebruikte cel in het werkblad (in de rechterbenedenhoek).

    Selecteer de eerste cel en druk vervolgens op Ctrl+Shift+End om de selectie van cellen uit te breiden tot de laatste gebruikte cel in het werkblad (in de rechterbenedenhoek).

    Cellen tot het begin van het werkblad

    Selecteer de eerste cel en druk vervolgens op Ctrl+Shift+Home om de selectie van cellen uit te breiden tot het begin van het werkblad.

    Meer of minder cellen dan de actieve selectie

    Houd Shift ingedrukt terwijl u op de laatste cel klikt die u wilt opnemen in de nieuwe selectie. Het rechthoekige gebied tussen de actieve cel en de cel waarop u klikt, wordt de nieuwe selectie.

    Tip   Als u de celselectie wilt annuleren, klikt u op een willekeurige cel op het werkblad.

  2. Voer op het tabblad Invoegen in de groep Grafieken een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op het grafiektype en klik vervolgens op het grafieksubtype dat u wilt gebruiken.

    • Als u alle beschikbare grafiektypen wilt zien, klikt u op een grafiektype en klikt u vervolgens op Alle grafiektypen om het dialoogvenster Grafiek invoegen weer te geven. Klik op de pijlen om door alle beschikbare grafiektypen en subtypen te bladeren en klik vervolgens op de grafiek die u wilt gebruiken.

      Groep Diagrammen op Excel-lint

      Tip   Scherminfo geeft de naam van het diagram als u de muisaanwijzer op een grafiektype of grafieksubtype plaatst. Zie Beschikbare grafiektypenvoor meer informatie over de grafiektypen die u kunt gebruiken.

  3. De grafiek wordt standaard op het werkblad geplaatst als een ingesloten grafiek. Als u de grafiek op een afzonderlijk grafiekblad wilt plaatsen, kunt u de locatie ervan als volgt wijzigen:

    1. Selecteer de ingesloten grafiek door erop te klikken.

      Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

    2. Klik op het tabblad Ontwerp in de groep Locatie op Grafiek verplaatsen.

      Afbeelding van Excel-lint

    3. Voer een van de volgende handelingen uit onder Kies de locatie van de grafiek:

      • Klik op Nieuw blad als u de grafiek wilt weergeven in een grafiekblad.

        Tip   Als u de voorgestelde naam van de grafiek wilt vervangen, kunt u een nieuwe naam typen in het vak Nieuw blad.

      • Als u de grafiek wilt weergeven als een ingesloten grafiek op een werkblad, klikt u op Object in en vervolgens op een werkblad in het vak Object in.

  4. Excel wijst automatisch een naam toe aan de grafiek, bijvoorbeeld Grafiek1 als het de eerste grafiek is die u op een werkblad maakt. Ga als volgt te werk om de naam van de grafiek te wijzigen:

    1. Klik op de grafiek.

    2. Klik, op het tabblad Indeling in de groep Eigenschappen op het tekstvak Grafieknaam.

      Tip   Klik zo nodig op het pictogram Eigenschappen in de groep Eigenschappen om de groep uit te vouwen.

    3. Typ een nieuwe naam.

    4. Druk op ENTER.

Opmerking   

  • Als u snel een grafiek wilt maken die is gebaseerd op het standaardgrafiektype, selecteert u de gegevens die u voor de grafiek wilt gebruiken en klikt u vervolgens op Alt+F1 of F11. Wanneer u op Alt+F1 drukt, wordt de grafiek weergegeven als een ingesloten grafiek. Wanneer u op F11 drukt, wordt de grafiek weergegeven op een afzonderlijk grafiekblad.

  • Wanneer u een grafiek maakt, wordt de richting van de reeks op basis van het aantal rijen en kolommen die zijn opgenomen in de grafiek vastgesteld. Nadat u een grafiek maakt, kunt u de manier waarop dat rijen en kolommen in de grafiek zijn uitgezet door rijen naar kolommen en vice versa. Zie gegevensreeksen uitzetten vanuit werkbladrijen of -kolommenvoor meer informatie.

  • U kunt snel het grafiektype van de hele grafiek, zodat de grafiek een ander uiterlijk wijzigen nadat u een grafiek hebt gemaakt, of kunt u een ander grafiektype voor een enkele gegevensreeks, zodat de grafiek een combinatiediagram. Zie het grafiektype van een bestaande grafiek wijzigenvoor meer informatie.

  • Als u een grafiek niet meer nodig hebt, kunt u deze verwijderen. Klik op de grafiek om deze te selecteren en druk op Delete.

Naar boven

Stap 2: De indeling of opmaak van een grafiek wijzigen

Nadat u een grafiek hebt gemaakt, kunt u het uiterlijk van de grafiek direct wijzigen. In plaats van de grafiek handmatig aan te passen door er elementen of opmaak aan toe te voegen of erin te wijzigen, kunt u snel een vooraf gedefinieerde indeling en opmaak op de grafiek toepassen. In Excel kunt u diverse handige, vooraf gedefinieerde indelingen en stijlen selecteren (of snelle indelingen en snelle stijlen). U kunt deze desgewenst verder aanpassen door de indeling en opmaak van afzonderlijke grafiekelementen handmatig te wijzigen.

Een vooraf gedefinieerde grafiekindeling toepassen

  1. Klik op de grafiek die u wilt opmaken met behulp van een vooraf gedefinieerde grafiekindeling.

    Tip   Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  2. Selecteer de gewenste grafiekindeling op het tabblad Ontwerpen in de groep Grafiekindeling.

    Excel-lintafbeelding

    Opmerking   Als het Excel-venster wordt verkleind, zijn grafiekindelingen beschikbaar in de galerie Snelle indeling in de groep Grafiekindelingen.

    Tip   Als u elke beschikbare indeling wilt bekijken, klikt u op Meer Knopafbeelding.

Naar boven

Een vooraf gedefinieerde grafiekstijl toepassen

  1. Klik op de grafiek die u wilt opmaken met een vooraf gedefinieerde grafiekstijl.

    Tip   Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  2. Klik op het tabblad Ontwerp in de groep Grafiekstijlen op de gewenste grafiek- of diagramstijl.

    Excel-lintafbeelding

    Opmerking   Als het Excel-venster wordt verkleind, zijn grafiekstijlen beschikbaar in de galerie Snelle stijlen voor grafieken in de groep Grafiekstijlen.

    Tip   Als u voorgedefinieerde grafiekstijlen wilt bekijken, klikt u op Meer Knopafbeelding.

Naar boven

De indeling van grafiekelementen handmatig wijzigen

  1. Klik op de grafiek of het grafiekelement waarvan u de indeling wilt wijzigen of selecteer als volgt een grafiekelement in een lijst met grafiekelementen.

    1. Klik ergens in de grafiek om de Hulpmiddelen voor grafieken weer te geven.

    2. Klik op het tabblad Opmaak in de groep Huidige selectie op de pijl naast het vak Grafiekelementen en klik vervolgens op het gewenste grafiekelement.

      Excel-lintafbeelding

  2. Klik op het tabblad Indeling in de groep Labels, Assen of Achtergrond op het grafiekelement dat u wilt wijzigen en klik op de gewenste indelingsoptie.

    afbeelding van Excel-lint

    Afbeelding van Excel-lint

    Afbeelding van Excel-lint

Opmerking   De indelingsopties die u selecteert, worden toegepast op het geselecteerde grafiekelement. Als u bijvoorbeeld de hele grafiek hebt geselecteerd, worden gegevenslabels toegepast op alle gegevensreeks. Als u één gegevenspunt hebt geselecteerd, worden gegevenslabels alleen toegepast op de geselecteerde gegevensreeks of het geselecteerde gegevenspunt.

Naar boven

De opmaak van grafiekelementen handmatig wijzigen

  1. Klik op de grafiek of het grafiekelement waarvan u de stijl wilt wijzigen of selecteer als volgt een grafiekelement in een lijst met grafiekelementen.

    1. Klik op een grafiek om de Hulpmiddelen voor grafieken weer te geven.

    2. Klik op het tabblad Opmaak in de groep Huidige selectie op de pijl naast het vak Grafiekelementen en klik vervolgens op het gewenste grafiekelement.

      Excel-lintafbeelding

  2. Tip   Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerpen, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  3. Voer een van de volgende handelingen uit op het tabblad Opmaak:

    1. Als u een geselecteerd grafiekelement wilt opmaken, klikt u in de groep Huidige selectie op Selectie opmaken en selecteert u de gewenste opmaakopties.

    2. Als u de vorm van een geselecteerd grafiekelement wilt opmaken, klikt u in de groep Vormstijlen op de gewenste stijl of klikt u op Opvulling van vorm, Omtrek van vorm of Vormeffecten en selecteert u de gewenste opmaakopties.

    3. Als u de tekst in een geselecteerd grafiekelement wilt opmaken met WordArt, klikt u in de groep Stijlen voor WordArt op de gewenste stijl. U kunt ook op Tekstopvulling, Tekstkader of Teksteffecten klikken en de gewenste opmaakopties selecteren.

      Opmerking   Nadat u een WordArt-stijl hebt toegepast, kunt u de WordArt-opmaak niet meer verwijderen. Als u de WordArt-stijl die u hebt toegepast niet wilt gebruiken, kunt u een andere WordArt-stijl selecteren of klikt u op de Werkbalk Snelle toegang op Ongedaan maken om terug te keren naar de eerdere tekstopmaak.

      Tip   Als u gewone tekstopmaak wilt gebruiken om de tekst in grafiekelementen op te maken, klikt u met de rechtermuisknop op de tekst of selecteert u de tekst en klikt u vervolgens op de gewenste opmaakopties op de miniwerkbalk. U kunt ook gebruikmaken van de opmaakknoppen op het lint (tabblad Start, groep Lettertype).

Naar boven

Stap 3: Titels of gegevenslabels toevoegen of verwijderen

Als u een grafiek begrijpelijker wilt maken, kunt u titels toevoegen, zoals een grafiektitel en astitels. Astitels zijn in principe beschikbaar voor alle assen die in een grafiek kunnen worden weergegeven, inclusief de diepteas (reeksas) in een 3D-grafiek. Sommige grafiektypen (zoals radardiagrammen) hebben wel assen, maar toch kunnen er geen astitels in worden weergegeven. In grafiektypen die geen assen hebben (zoals cirkel- en kringdiagrammen) kunnen ook geen astitels worden weergegeven.

U kunt grafiek- en astitels ook koppelen aan bijbehorende tekst in werkbladcellen door een verwijzing naar die cellen te maken. Gekoppelde titels worden in de grafiek automatisch bijgewerkt wanneer u wijzigingen aanbrengt in de bijbehorende tekst in het werkblad.

Als u een gegevensreeks in een grafiek snel wilt identificeren, kunt u gegevenslabels toevoegen aan de gegevenspunten van de grafiek. Standaard zijn de gegevenslabels gekoppeld aan waarden op het werkblad en worden ze automatisch bijgewerkt als er wijzigingen optreden in die waarden.

Een grafiektitel toevoegen

  1. Klik op de grafiek waaraan u een titel wilt toevoegen.

    Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  2. Klik op het tabblad Indeling in de groep Labels op Grafiektitel.

    Groep Labels op Excel-lint

  3. Klik op Gecentreerde overlay-titel of op Boven grafiek.

  4. Typ de gewenste tekst in het tekstvak Grafiektitel dat in de grafiek verschijnt.

    Tip   Als u een regeleinde wilt invoegen, klikt u op de positie waar u het regeleinde wilt invoegen en drukt u vervolgens op Enter.

  5. U kunt de tekst opmaken door deze te selecteren en op de gewenste opmaakopties op de miniwerkbalk te klikken.

    Tip   U kunt ook gebruikmaken van de opmaakknoppen op het lint (tabblad Start, groep Lettertype). Als u de hele titel wilt opmaken, klikt u met de rechtermuisknop op de titel, klikt u op Grafiektitel opmaken en selecteert u vervolgens de gewenste opmaakopties.

Naar boven

Astitels toevoegen

  1. Klik op de grafiek waaraan u astitels wilt toevoegen.

    Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  2. Klik op het tabblad Indeling in de groep Labels op Astitels.

    Groep Labels op Excel-lint

  3. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    • Als u een titel wilt toevoegen aan een primaire horizontale as (categorieas), klikt u op Titel van primaire horizontale as en vervolgens op de gewenste optie.

      Tip   Als de grafiek een secundaire horizontale as bevat, kunt u ook op Titel van secundaire horizontale as klikken.

    • Als u een titel wilt toevoegen aan een primaire verticale as (waardenas) klikt u op Titel van primaire verticale as en vervolgens op de gewenste optie.

      Tip   Als de grafiek een secundaire verticale as bevat, kunt u ook op Titel van secundaire verticale as klikken.

    • Als u een titel wilt toevoegen aan een diepteas (reeksas), klikt u op Titel van diepteas en vervolgens op de gewenste optie.

      Opmerking   Deze optie is alleen beschikbaar als de geselecteerde grafiek een echte 3D-grafiek is, zoals een 3D-kolomdiagram.

  4. Typ de gewenste tekst in het tekstvak Astitel dat in de grafiek verschijnt.

    Tip   Als u een regeleinde wilt invoegen, klikt u op de positie waar u het regeleinde wilt invoegen en drukt u vervolgens op Enter.

  5. U kunt de tekst opmaken door deze te selecteren en op de gewenste opmaakopties op de miniwerkbalk te klikken.

    Tip   U kunt ook gebruikmaken van de opmaakknoppen op het lint (tabblad Start, groep Lettertype). Als u de hele titel wilt opmaken, klikt u met de rechtermuisknop op de titel, klikt u op Astitel opmaken en selecteert u vervolgens de gewenste opmaakopties.

    Notities   

    • Als u overschakelt op een ander grafiektype dat geen ondersteuning biedt voor astitels (zoals een cirkeldiagram), worden de astitels niet meer weergegeven. De titels worden weer weergegeven als u later weer overschakelt naar een grafiektype dat wel ondersteuning biedt voor astitels.

    • Astitels die worden weergegeven voor secundaire assen gaan verloren als u overschakelt op een grafiektype waarin geen secundaire assen worden weergegeven.

Naar boven

Een titel koppelen aan een werkbladcel

  1. Klik in een grafiek op de grafiek- of astitel die u wilt koppelen aan een werkbladcel.

  2. Klik in het werkblad op de formulebalk en typ vervolgens het gelijkteken (=).

  3. Selecteer de werkbladcel met de gegevens of tekst die u wilt weergeven in de grafiek.

    Tip   U kunt de verwijzing naar de werkbladcel ook in de formulebalk typen. Neem in deze verwijzing een gelijkteken op en de bladnaam, gevolgd door een uitroepteken, bijvoorbeeld: =Blad1!F2.

  4. Druk op Enter.

Naar boven

Gegevenslabels toevoegen

  1. Voer in een grafiek een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een gegevenslabel wilt toevoegen aan alle gegevenspunten van alle gegevensreeksen, klikt u op het grafiekgebied.

    • Als u een gegevenslabel wilt toevoegen aan alle gegevenspunten van een gegevensreeks, klikt u ergens in de gegevensreeks die u van een label wilt voorzien.

    • Als u een gegevenslabel wilt toevoegen aan één gegevenspunt in een gegevensreeks, klikt u op de gegevensreeks die het gegevenspunt bevat dat u van een label wilt voorzien en klikt u vervolgens op het betreffende gegevenspunt.

      Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  2. Klik op het tabblad Indeling in de groep Labels op Gegevenslabels en vervolgens op de gewenste weergaveoptie.

    Groep Labels op Excel-lint

    Opmerking   Afhankelijk van het gebruikte grafiektype krijgt u verschillende opties voor gegevenslabels te zien.

Tip   Zie labels voor toevoegen of verwijderen van gegevens in een grafiekvoor meer informatie over het wijzigen van de labelgegevens of gegevenslabels verplaatsen.

Naar boven

Titels of gegevenslabels verwijderen uit een grafiek

  1. Klik op de grafiek.

    Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  2. Voer een van de volgende handelingen uit op het tabblad Indeling in de groep Labels:

    • Als u een grafiektitel wilt verwijderen, klikt u op Grafiektitel en vervolgens op Geen.

    • Als u een astitel wilt verwijderen, klikt u op Astitel, klikt u op het type astitel dat u wilt verwijderen en vervolgens op Geen.

    • Als u gegevenslabels wilt verwijderen, klikt u op Gegevenslabels en vervolgens op Geen.

      Groep Labels op Excel-lint

Tip   Als u snel een titel of gegevenslabel wilt verwijderen, klikt u erop en drukt u op Delete.

Naar boven

Stap 4: Een legenda weergeven of verbergen

Wanneer u een grafiek maakt, wordt de legenda weergegeven, maar u kunt de legenda verbergen of de locatie ervan wijzigen nadat u de grafiek hebt gemaakt.

  1. Klik op de grafiek waarin u een legenda wilt weergeven of verbergen.

    Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  2. Klik op het tabblad Indeling in de groep Labels op Legenda.

    Groep Labels op Excel-lint

  3. Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u de legenda wilt verbergen, klikt u op Geen.

      Tip   Als u een legenda of legendagegeven snel uit een grafiek wilt verwijderen, selecteert u dit onderdeel en drukt u op Delete. U kunt ook met de rechtermuisknop op het onderdeel klikken en vervolgens op Verwijderen klikken.

    • Als u een legenda wilt weergeven, klikt u op de gewenste weergaveoptie.

      Opmerking   Wanneer u op een van de weergaveopties klikt, wordt de legenda verplaatst en wordt het tekengebied automatisch aangepast om ruimte te maken voor de legenda. Als u de legenda met de muis verplaatst of het formaat wijzigt, wordt het tekengebied niet automatisch aangepast.

    • Klik voor extra opties op Meer opties voor legenda en selecteer vervolgens de gewenste weergaveopties.

      Tip   Standaard overlapt een legenda de grafiek niet. Als de ruimte echter beperkt is, kunt u de grafiek wellicht kleiner maken door het selectievakje De legenda weergeven zonder dat deze de grafiek overlapt uit te schakelen.

Tip   Wanneer een grafiek een legenda weergegeven, kunt u de afzonderlijke legendagegevens aanpassen. Zie legendagegevens voor grafiek wijzigenvoor meer informatie.

Naar boven

Stap 5: Grafiekassen of rasterlijnen weergeven of verbergen

Wanneer u een grafiek maakt, worden voor de meeste grafiektypen primaire assen weergegeven. U kunt deze naar wens in- of uitschakelen. Wanneer u assen toevoegt, kunt u opgeven welk detailniveau de assen moeten weergeven. Wanneer u een 3D-grafiek maakt, wordt een diepteas weergegeven.

Als het waardebereik van gegevensreeks binnen een grafiek sterk verschilt of als u met meerdere typen gegevens werkt (bijvoorbeeld prijs- en volumegegevens), kunt u een of meer gegevensreeksen uitzetten op een secundaire verticale as (waardeas). De schaal van de secundaire verticale as komt overeen met de waarden voor de bijbehorende gegevensreeks. Nadat u een secundaire verticale as hebt toegevoegd aan een grafiek, kunt u ook een secundaire horizontale as (categorieas) toevoegen. Dit kan handig zijn in een spreidingsdiagram of in een bellendiagram.

U kunt een grafiek gemakkelijker te lezen maken door horizontale en verticale grafiekrasterlijnen die vanaf de horizontale en de verticale as over het tekengebied van de grafiek lopen weer te geven of te verbergen.

Primaire assen weergeven of verbergen

  1. Klik op de grafiek waarvan u de assen wilt weergeven of verbergen.

    Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  2. Ga naar het tabblad Indeling, klik in de groep Assen op Assen en voer vervolgens een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een as wilt weergeven,klikt u op Primaire horizontale as, Primaire verticale as of Diepteas (op een 3D-grafiek) en klikt u vervolgens op de gewenste weergaveoptie voor de as.

    • Als u een as wilt verbergen,klikt u op Primaire horizontale as, Primaire verticale as of Diepteas (op een 3D-grafiek) en klikt u vervolgens op Geen.

    • Als u gedetailleerde weergave- en schaalopties voor een as wilt opgeven, klikt u op Primaire horizontale as, Primaire verticale as of Diepteas (op een 3D-grafiek) en vervolgens op Meer opties voor primaire horizontale as, Meer opties voor primaire verticale as of Meer opties voor diepteas.

      Afbeelding van Excel-lint

      Raadpleeg de volgende artikelen voor meer informatie over het wijzigen van de weergaveopties en van de schaal van assen.

    • De weergave van grafiekassen wijzigen

    • De schaal van de horizontale as (categorieas) in een grafiek wijzigen

    • De schaal van de verticale as (waardeas) in een grafiek wijzigen

    • De schaal van de diepteas (reeksenas) in een grafiek wijzigen

Naar boven

Secundaire assen weergeven of verbergen

  1. Klik in een grafiek op de gegevensreeks die u wilt uitzetten langs een secundaire verticale as of ga als volgt te werk om de gegevensreeks te selecteren in een lijst met grafiekelementen:

    1. Klik op de grafiek.

      Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

    2. Klik op het tabblad Opmaak in de groep Huidige selectie op de pijl naast het vak Grafiekelementen. Klik vervolgens op de gegevensreeks die u wilt uitzetten langs een secundaire verticale as.

      Excel-lintafbeelding

  2. Klik op het tabblad Opmaak in de groep Huidige selectie op Indelingskeuze.

  3. Klik op Opties voor reeks als dit nog niet is geselecteerd en klik vervolgens onder Reeks tekenen op op Secundaire as. Klik daarna op Sluiten.

  4. Klik op het tabblad Indeling in de groep Assen op Assen.

    Afbeelding van Excel-lint

  5. Voer een van de volgende handelingen uit:

    1. Als u een secundaire verticale as wilt weergeven, klikt u op Secondaire verticale as en vervolgens op de gewenste weergaveoptie.

      Tip   U kunt de secundaire verticale as makkelijker onderscheiden als u het grafiektype voor één gegevensreeks wijzigt. U kunt bijvoorbeeld van één gegevensreeks een lijndiagram maken.

  6. Als u een secundaire horizontale as wilt weergeven, klikt u op Secundaire horizontale as en vervolgens op de gewenste weergaveoptie.

    Opmerking   Deze optie is alleen beschikbaar nadat u een secundaire verticale as hebt weergegeven.

  7. Als u een secundaire as wilt verbergen, klikt u op Secundaire verticale as of Secundaire horizontale as en vervolgens op Geen.

    Tip   U kunt ook klikken op de secundaire as die u wilt verwijderen en vervolgens op Delete drukken.

Naar boven

Rasterlijnen weergeven of verbergen

  1. Klik op de grafiek waaraan u rasterlijnen wilt toevoegen.

    Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  2. Ga naar het tabblad Indeling en klik in de groep Assen op Rasterlijnen.

    Afbeelding van Excel-lint

  3. Ga als volgt te werk:

    • Als u horizontale rasterlijnen wilt toevoegen aan de grafiek, wijst u Primaire horizontale rasterlijnen aan en klikt u vervolgens op de gewenste optie. Als de grafiek een secundaire horizontale as bevat, kunt u ook op Secundaire horizontale rasterlijnen klikken.

    • Als u verticale rasterlijnen wilt toevoegen aan de grafiek, wijst u Primaire verticale rasterlijnen aan en klikt u vervolgens op de gewenste optie. Als de grafiek een secundaire verticale as bevat, kunt u ook op Secundaire verticale rasterlijnen klikken.

    • Als u diepterasterlijnen wilt toevoegen aan een 3D-grafiek, wijst u Diepterasterlijnen aan en klikt u op de gewenste optie. Deze optie is alleen beschikbaar als de geselecteerde grafiek een echte 3D-grafiek is, zoals een 3D-kolomdiagram.

    • Als u de grafiekrasterlijnen wilt verbergen, wijst u Primaire horizontale rasterlijnen, Primaire verticale rasterlijnen of Diepterasterlijnen (bij een 3D-grafiek) aan en klikt u op Geen. Als de grafiek een secundaire as heeft, kunt u ook klikken op Secundaire horizontale rasterlijnen of Secundaire verticale rasterlijnen en vervolgens op Geen.

    • Als u grafiekrasterlijnen snel wilt verwijderen, selecteert u ze en drukt u vervolgens op Delete.

Naar boven

Stap 6: De positie of het formaat van een grafiek wijzigen

U kunt een grafiek naar een willekeurige locatie in een werkblad of naar een nieuw of bestaand werkblad verplaatsen. U kunt ook het formaat van de grafiek aanpassen zodat deze beter past.

Een grafiek verplaatsen

  • U kunt een grafiek verplaatsen door deze naar de gewenste locatie te slepen.

Naar boven

Het formaat van een grafiek wijzigen

U kunt het formaat van een grafiek op de volgende manieren wijzigen:

  • Klik op de grafiek en sleep de formaatgrepen vervolgens naar het gewenste formaat.

  • Geef op het tabblad Opmaak in de groep Grootte het formaat op in de vakken Hoogte van vorm en Breedte van vorm.

    Groep Grootte op Excel-lint

Tip   Klik voor meer opties op het tabblad Opmaak in de groep grootte aanpassen klikt u op het Startpictogram voor het dialoogvenster Knopafbeelding. Klik in het dialoogvenster grootte en eigenschappen op het tabblad grootte kunt u opties voor grootte, draaien of het formaat van het organigram. Op het tabblad Eigenschappen kunt u aangeven hoe u de grafiek verplaatsen of het formaat van de cellen in het werkblad.

Naar boven

Stap 7: Een grafiek opslaan als een sjabloon

  • Als u nog een grafiek wilt maken zoals de grafiek die u zojuist hebt gemaakt, kunt u deze opslaan als een sjabloon die u kunt gebruiken als basis voor andere, vergelijkbare grafieken.

  • Klik op het diagram dat u als een sjabloon wilt opslaan.

  • Klik, op het tabblad Ontwerp in de groep Type op Opslaan als sjabloon.

  • Groep Type op Excel-lint

  • Typ in het vak Bestandsnaam een naam voor de sjabloon.

    Tip   Tenzij u een andere map opgeeft, wordt het sjabloonbestand (.ctrx) opgeslagen in de map Grafieken en is de sjabloon beschikbaar onder Sjablonen in zowel het dialoogvenster Grafiek invoegen (tabblad Invoegen, groep Grafieken, startpictogram voor het dialoogvenster Knopafbeelding) als het dialoogvenster Grafiektype wijzigen (tabblad Ontwerpen, groep Type, Grafiektype wijzigen).

Zie een favoriete grafiek met behulp van een grafieksjabloon opnieuwvoor meer informatie over het toepassen van een grafieksjabloon.

Opmerking   Een grafieksjabloon bevat de grafiekopmaak en kleuren die werden gebruikt toen u de grafiek hebt opgeslagen als sjabloon. Wanneer u de grafieksjabloon gebruikt om een nieuwe grafiek in een andere werkmap te maken, worden de kleuren van de grafieksjabloon gebruikt en niet de kleuren van het documentthema dat momenteel is toegepast op de werkmap. Als u de kleuren van het documentthema wilt gebruiken in plaats van de kleuren van de grafieksjabloon, klikt u met de rechtermuisknop op het grafiekgebied en klikt u vervolgens op Aanpassen aan stijl in het snelmenu. 

Naar boven

Opmerking   Disclaimer voor automatische vertaling: Dit artikel is vertaald door een computersysteem zonder menselijke tussenkomst. Microsoft biedt deze automatische vertalingen aan om niet-Engels sprekende gebruikers te helpen de inhoud over producten, services en technologieën van Microsoft te raadplegen. Omdat het artikel automatisch is vertaald, bevat het mogelijk fouten in grammatica, woordenschat en syntaxis.

Is van toepassing op: Excel 2007



Was deze informatie nuttig?

Ja Nee

Wat kan er beter?

255 tekens resterend

Voeg ter bescherming van uw privacy geen contactgegevens aan uw feedback toe. Beoordeel onze privacybeleid.

Bedankt voor uw feedback.

Ondersteuningsbronnen

Taal wijzigen